Zuster Monica over lymfeklierkanker: ‘Ik wil meer beschikbaar zijn’
Meer lezen
Non-Hodgkinlymfomen
Schrijf ons!
Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
Bijna heel 2011 stond voor zuster Monica in het teken van strijd tegen, en omgaan met, lymfeklierkanker: ‘Zes maanden heb ik binnen gezeten'. En dat voor iemand die aan 24 uur per dag nooit genoeg had. ‘Maar nu wil ik rustiger leven, bedachtzamer zijn, me meer beschikbaar stellen voor mijn medemens.'Tekst: Marc Peirs, foto's: An Nelissen, uit Leven 53, januari 2012
‘72 jaar. Nooit ziek geweest. En plots, eind april, hoor ik het grote woord: kanker. Dooreengeschud was ik. Die eerste dagen was ik tot weinig anders in staat dan plannen te maken voor de verdeling van mijn aardse bezit (glimlacht).'
‘In januari had ik een knieoperatie ondergaan. Een mechanisch defect, op te lossen met een prothese. Na de ingreep was ik permanent moe en had ik nauwelijks eetlust. Ik kan je verzekeren dat dit twee fenomenen zijn die niet tot mijn gewone natuur behoren (lacht). Ik ging naar de huisarts, maar de medicijnen die ik kreeg, hielpen niet. Dus naar de internist. Die voelde "iets" in mijn linkerflank, vlakbij mijn buikholte. De scan toonde een vermoeden van een lymfoom. De dag nadien volgde een kijkoperatie. De diagnose na de onderzoeken was zonneklaar.'
‘Non-Hodgkinlymfoom. "Daar is een behandeling voor", verzekerden de dokters me meteen. Acht chemokuren, één om de drie weken. Opgeteld is dat zes maanden behandeling, rekende ik uit. Láng. Maar ik legde mijn lot in handen van de artsen: als er een kans bestaat om weer goed te worden, dan ga ik ervoor, dacht ik. Dat is mijn combattieve aard.'
‘De chemokuur op zich vond ik niet bijzonder erg. Vervelend zijn de nevenverschijnselen in de dagen na elke kuur. Zo had ik last van sterke schommelingen in mijn bloeddruk. De eerste dagen had ik ook weinig eetlust. Ik voelde me draaierig. Last van gezwollen voeten, dat ook. Maar het hiélp. Na de tweede chemosessie kreeg ik het goede nieuws dat de kuur werkte en na de vierde bleek de kanker verdwenen. Begin oktober was de laatste chemokuur. Sinds dan moet ik nog om de paar maanden op controlebezoek. De zaak opvolgen.'
‘De houding van de dokters en het verplegend personeel heeft me diep getroffen. Te zien dat de verschillende behandelende artsen in team werken, overleggen, elkaar raadplegen en adviseren, dat was heel geruststellend. Ook de bezoeken die ik kreeg van een verpleegkundige die niet actief aan zorg deed maar alleen kwam práten over hoe ik de behandeling ervoer, waren een meerwaarde. Later heb ik vernomen dat dit een proefproject was van mijn ziekenhuis, Sint-Lucas in Gent. Een heel waardevol project, vind ik.'
‘Van bij aanvang heb ik open over mijn ziekte gecommuniceerd. Dat kan ook niet anders. Meer dan twintig jaar was ik directrice van de Sint-Bavoschool in Gent. Kunt u zich voorstellen hoeveel oud-studenten ik heb (lacht)? Ik ben actief in verschillende vzw's in de onderwijssector, ik zit in de gemeenteraad van Gent, en voor mijn congregatie Zusters van Liefde van Jezus en Maria was ik net aangesteld als verantwoordelijke voor internationale projecten. Dat zijn een heleboel engagementen die ik tijdelijk terug moest schroeven. De Gentse politiek volgen, dat lukt nog, kijk (wijst op stapel kaften op tafel), de fractieleider komt me de dossiers bezorgen. Maar vergaderingen moet ik achterwege laten. Mensen vragen zich dan terecht af waarom je afhaakt, dus kon ik maar beter meteen open kaart spelen.'
‘Van de weeromstuit heb ik ontelbaar veel tekenen van sympathie en solidariteit gekregen. Collega-politici, over de partijgrenzen heen, maar natuurlijk ook collega-zusters en o zo veel vrienden en kennissen hebben me mailtjes gestuurd, gebeld, een kaartje bezorgd, een bezoekje gebracht. Al die contacten hebben me geholpen in mijn strijd tegen de ziekte. Mensen schreven me: "Van u verwachten we dat u zich niet laat gaan! Volhouden!". En ik dacht prompt: als de mensen dat van me verwachten, dan moet ik inderdaad terugvechten. De contacten hielpen me mijn strijdlust te activeren, waarvoor dank.'
‘Ik heb geleerd dat het goed is om contact te hebben met de zieke medemens. Zelf ben ik in het verleden tekort geschoten in mijn aandacht voor zieken. Dat wil ik veranderen. Een telefoontje, een kaartje, een bezoek. Gewoon beschikbaar zijn wanneer mensen hun verhaal kwijt willen. Dat moet ik vaker doen.'
‘Tijdens mijn behandeling zat ik de volle zes maanden binnen. Lente, zomer, nazomer. Dan heb je véél tijd om te lezen en om na te denken. Over leven, dood, relaties, over de wezenlijke zaken. Ik besef dat ik het rustiger aan moet doen. In de politiek wou ik hoe dan ook geen tweede mandaat in het parlement en voor de Gentse gemeenteraad kom ik in 2012 niet meer op.'
‘Ook mijn geloof heeft behoefte aan rust. Ik wil verstilling om de relatie met de heer verder op te bouwen. Vaak denk ik na over het leven na de dood. Hoe het eruit ziet, welke vorm het aanneemt, weet ik niet, maar dát het bestaat, dat weet ik wel. Liefde tussen mensen is zulk een enorme kracht. Die houdt ons na het fysieke sterven verder in leven. Ik ben ervan overtuigd dat het niet gedaan kán zijn.'
‘Ik ben bang geweest om te sterven, (overtuigd) ja. Net omdat ik niet weet hoe of wat het leven na de dood is. Maar ook omdat ik gráág leef. Ik vind het leven boeiend. Als het mag, wil ik nog een tijd doorgaan, liefst in een kwalitatief leven. In een zetel indommelen is niks voor mij. Ik heb nog niet genoeg geleefd.'






