Ziekenhuisdirecteur Rudi Pluymers: ‘We staan ervoor en we gaan erdoor’
Meer lezen
Contact met lotgenoten?
Red een kankerpatiënt
Geef bloed en word stamceldonor voor mensen met een bloedziekte als leukemie. U kunt er een leven mee redden. Bel 078/05.01.11 (Rode Kruis Vlaanderen) of kijk op www.stamceldonor.be.
Schrijf ons!
Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
Jarenlang bestuurde hij het hele ziekenhuisgebeuren, toen moest hij het plots ondergaan. Rudi Pluymers, directeur van het Salvatorziekenhuis in Hasselt, werd vier jaar geleden getroffen door acute leukemie. Na een lange strijd is hij opnieuw aan het werk. ‘Ik ben nu beter dan ooit voorbereid op de toekomst.’Tekst: Wouter Van Driessche, foto: Ivo Hendrikx, uit Leven 44, oktober 2009
‘Mijn bureau was opgeruimd, voor het eerst in jaren. Heel eigenaardig. Voor eindejaar had ik nog alle dossiers weggewerkt. Voelde ik aan dat er iets te gebeuren stond? Ik zal het nooit weten, maar achteraf bekeken is het toch opmerkelijk. Alsof ik onbewust wist dat ik ziek zou worden. Ik was moe, dat wel. Extreem moe. Abnormaal moe, zelfs voor een drukke periode. Dat was het eerste symptoom. En blijkbaar was er ook iets met mijn kleur. Begin 2005 zat ik op een vergadering in Brussel. Eén van de aanwezige artsen zei : “Rudi, je moet je laten nakijken, ik zie aan je gezicht dat er iets scheelt. Je ziet er grauw uit.” ’s Anderendaags liet ik in het ziekenhuis mijn bloed onderzoeken, ’s middags belde mijn arts al met het resultaat. Acute myeloïde leukemie. “Bingo”, zei ik tegen mijn echtgenote, toen ik de telefoon neerlegde. “Ik heb prijs.” Ergens wist ik het, precies.’
‘Ik was er heel erg aan toe. 97 procent van mijn witte bloedcellen waren ongerijpte witte bloedcellen – kankercellen, zeg maar. De prognose was niet zo gunstig, de levensverwachting volgens internationale studies na twee jaar extreem klein. Nauwelijks tien procent, zoiets. En toch. In eerste instantie vond ik niet eens dát het moeilijkste. Mijn ouders inlichten, en mijn dochter en mijn zoon, dat viel me eerst het zwaarst. Ik wilde hen zo veel mogelijk ontzien – nog altijd. Niet dramatiseren. “We staan ervoor en we gaan erdoor”: die houding heb ik me heel snel eigen gemaakt. Heel veel kankerpatiënten zijn verbaasd over hun eigen veerkracht, heb ik al gemerkt. Ze doen dingen die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden. Mensen zijn ontzettend sterk. Zeker als ze geen andere keuze hebben.’
‘De dag na de diagnose werd meteen gestart met verdere onderzoeken en de behandeling: hooggedoseerde chemotherapie en een stamceltransplantatie. Mijn broers Carlo en Luc waren beiden kandidaat-donors, ik heb mijn leven aan hen te danken. Uiteindelijk werd mijn jongste broer stamceldonor, want de oudste had antistoffen tegen kattenziekte - hij is dierenarts - en dat was iets minder gunstig voor de transplantatie. Omdat mijn weerstand op nul stond, moest ik verschillende keren afgezonderd worden in een isolatiekamer. Een zestal weken in totaal. Ik kreeg bovendien bestraling over mijn hele lichaam. Moeilijk. Dat ga ik niet te ontkennen. Maar toch spartelde ik daar op de een of andere manier door. Er zijn mensen die minder goed af zijn, hield ik me de hele tijd voor ogen. Ik ben vijftig. Ik heb al een flink stuk weg afgelegd. Ik heb mijn kinderen volwassen zien worden – niet iedereen heeft dat geluk. Ik leerde blij zijn met elke nieuwe dag die zich aandiende. Dankbaar omdat ik hem mocht beleven. En dankbaar voor de steun die ik van zoveel mensen kreeg.’
Vroeger waren mijn vrouw en mijn kinderen óók al het belangrijkste, maar dan vooral in theorie.
‘Ik ben vier jaar verder nu. In oktober 2006 mocht ik mijn job als ziekenhuisdirecteur opnieuw opnemen. Niet evident dat je die kans na anderhalf jaar afwezigheid krijgt. Zeker niet in zo’n topfunctie. Ik ben er het ziekenhuis, de raad van bestuur en mijn collega’s ontzettend dankbaar voor. Nog altijd. Ik heb pech gehad, maar ook geluk. Veel geluk. Dat probeer ik heel goed voor ogen te houden. Ook al heb ik intussen een nieuwe aandoening. Myastenie: een zeldzame spierziekte. Mogelijk als gevolg van de transplantatie. Ik zou kunnen zeggen: “Waarom ik? Waarom nog een tegenslag?” Maar dat sta ik mezelf niet toe. Ik tel mijn zegeningen en ik blijf ze tellen. Begin dit jaar ben ik de eerste keer grootvader geworden. Het was niet evident dat ik dat nog mocht meemaken. Ik mag niet klagen, denk ik dan. Dat klinkt misschien raar, maar zo voel ik het echt. Elke dag is een mijlpaal.’
‘Ik focus me op wat ik nog kan, niet op wat ik niet meer kan. Tijdens mijn behandeling kon ik een tijdje alleen maar pudding eten. Ik deed bijna een uur over een klein potje. Maar ik ervoer dat als iets weldadigs. Iets wat ik zelf weer kon. Na de quarantaine moest ik mijn afweersysteem stap voor stap weer opbouwen. Eerst binnenshuis met een mondmasker en handschoenen. Dan met een ontsmettende gel. En dan, met de hulp van vaccinaties – je moet na de behandeling opnieuw alle jeugdvaccinaties krijgen – en medicatie, zelfstandig en buitenshuis. Elke stap vooruit zag ik als een nieuwe mijlpaal. En dat zie ik nog altijd zo. Verre reizen, zoals vroeger, zijn er vooralsnog niet meer bij. Egypte of Marokko zal ik wellicht nooit meer zien. Maar daar denk ik niet meer aan. Samen met mijn vrouw op het terras in de zon zitten is even goed, weet ik intussen. Misschien zelfs beter. Het is een cliché, maar ziek zijn doet je de kleine dingen waarderen. Mijn gelukkigste momenten nu zijn ’s ochtends. Heel vroeg opstaan, samen met mijn vrouw. Vier, vijf uur soms. Samen koffie drinken. De krant lezen. Genieten van het ochtendgloren en van de eerste vogelzang. Vroeger waren mijn vrouw en mijn kinderen óók al het belangrijkste, maar dan vooral in theorie. In de praktijk eiste mijn werk meestal de meeste aandacht op. Nu ben ik nog altijd gepassioneerd met mijn werk bezig, maar er is toch veel meer een evenwicht tussen mijn werk en mijn privéleven.’
‘Ziek worden als ziekenhuisdirecteur, dat verandert je blik op een aantal dingen. Kan niet anders. Je bestuurt het ziekenhuis niet langer, je ondergaat het. Dan verandert je perspectief automatisch. Mijn waardering voor dokters en verpleegkundigen is nóg groter geworden de voorbije jaren. Voor zover dat nog kon. En ik ben bijvoorbeeld nóg gevoeliger geworden voor ziekenhuishygiëne. Ik heb aan den lijve ondervonden hoe belangrijk dat is. Ik ben economist van opleiding, maar ik heb me enorm geïnformeerd over mijn aandoeningen. Sommige patiënten hebben daar schrik voor, ik probeerde altijd te volgen. Om het gevoel te hebben dat ik ermee bezig was en dat ik kon meepraten. Om het te kunnen sturen ook, in de mate van het mogelijke. Er is niet heel erg veel dat je kunt doen als patiënt, maar het is meer dan niets. Je kunt bijvoorbeeld ook je persoonlijke hygiëne in het oog houden. Geen ongewassen fruit eten. Regelmatig je handen wassen. Dat lijkt misschien allemaal futiel, maar dat is het niet. Als je weinig weerstand hebt, is het van levensbelang om zulke kleine risico’s te vermijden.’
‘Leven met kanker, dat is een leerproces. Leren omgaan met fysieke ongemakken. Met emoties. Van jezelf en van anderen. Leren omgaan met eindigheid ook, onvermijdelijk. Heb ik nog een paar maanden? Tien jaar? Ik weet het niet. Voor mijn aandoening gaan de meeste statistische gegevens niet verder dan twee jaar. Maar ook hier probeer ik gewoon dankbaar te zijn voor elke nieuwe dag die zich aandient. Ik leef nu al in toegevoegde tijd. Daar ben ik me erg bewust van. Ik ben wel voorbereid op de toekomst. Veel beter dan vroeger, ironisch genoeg. Zolang je gezond bent, ben je daar totaal niet mee bezig. Bij alles wat ik doe of plan, hou ik er rekening mee dat het plots kan omslaan. Ook op mijn werk. Maar intussen gaat het leven zo gewoon mogelijk verder en probeer ik intens te genieten van mooie momenten.’






