LinksSitemapContact
U bent hier:

Wetenschappers in de strijd tegen kanker: een verhaal van zoeken, vallen en vooruitgaan

Wie te horen krijgt dat hij kanker heeft, voelt de grond onder zijn voeten wegzinken. En toch is kanker niet langer de fatale ziekte van weleer. Langzaam maar zeker gaan we erop vooruit in de strijd tegen kanker. Het doorgedreven basisonderzoek en de sterk gespecialiseerde aanpak van de "kankerteams" werpen hun vruchten af.

Tekst: Annemie T'Seyen, uit Leven 1, januari 1999

Prof. Dr. Simon Van Belle, diensthoofd medische oncologie van het UZ Gent, is een gedreven, maar nuchter man.
Prof. Van Belle: "Als het over kanker gaat, worden mensen nog al te vaak om de oren geslagen met revolutionaire uitvindingen hier en magische behandelingen daar. Dat is misleidend: de strijd tegen kanker is geen zoektocht naar hét magische middel dat de ziekte voor altijd uit de wereld zal helpen. Het is een totaalpakket waarin zowel fundamenteel onderzoek, preventie, diagnose- en behandelingstechnieken als psychologische begeleiding en palliatieve zorg een plaats vindt. Elk van deze aspecten verdient onze aandacht, want elke winst -hoe beperkt ook- die we op één van deze terreinen boeken, helpt ons om op langere termijn weer een grote stap voorwaarts te zetten.

Het basisonderzoek werpt zijn vruchten af
De voorbije 10 jaar is het fundamenteel onderzoek naar de oorzaken en mechanismen van kanker in een stroomversnelling geraakt. Zo weet men nu dat alles eigenlijk begint mis te lopen op het niveau van het erfelijk materiaal. En daaraan kan gesleuteld worden. Prof. Van Belle: "Kanker ontstaat door een samenspel van externe factoren enerzijds, zoals zon, roken en allerhande schadelijke stoffen, en persoonlijke aanleg anderzijds. Bij bepaalde types van kanker weegt de erfelijke belasting sterk door: we spreken dan van "familiale" kankers. Voor een groot aantal van deze kankers kunnen we al bepalen in welk gen er precies iets misloopt. Als je zover bent, kan je met de zgn. gentherapie proberen aan dat "defecte" gen te sleutelen, b.v. door er een correctiegen naar toe te brengen. Het grootste probleem is momenteel om een geschikte "drager" te vinden die dat corrigerend gen op de juiste plaats kan brengen. De gentherapie zit nog niet in het stadium van effectieve toepassing, maar het onderzoek naar defecte genen heeft al wel zeer interessante nevenresultaten opgeleverd. Zo kunnen we nu de aanwezigheid opsporen van een gen dat borstkanker veroorzaakt, en zo bij "risicovrouwen" de kans bepalen dat zij de ziekte zullen ontwikkelen.
Naast het bepalen van de erfelijke aanleg, hebben we ook al veel meer inzicht verworven in de ontstaansmechanismen van kanker, en met name in de rol van het zogenaamde P53-gen. In zijn normale vorm zorgt dit gen ervoor dat alle cellen, en dus ook kankercellen, geprogrammeerd zijn om af te sterven. Wanneer dit P53-gen echter wijzigingen ondergaat, loopt deze hele programmatie mis. Wij moeten dus proberen om dit P53 te beïnvloeden, en hiervoor zijn de eerste klinische studies bij mensen van start gegaan.
Een derde weg tenslotte die in het basisonderzoek wordt bewandeld, is de aanmaak van stoffen die de ontwikkeling van een kankergezwel kunnen stopzetten. Het - toch wel heel nieuwe - uitgangspunt is, dat je een kankertumor dan misschien niet kan uitroeien, maar zijn verdere ontwikkeling wel kan blokkeren. Op die manier zouden we van kanker een chronische ziekte kunnen maken die je je hele leven meedraagt, maar die je door geneesmiddelen perfect onder controle houdt."

Chirurgie, chemotherapie, radiotherapie: de gouden "regel van drie"
Prof. Van Belle: "In de chirurgie evolueren we steeds meer naar twee uitersten. Indien nodig wordt zeer "agressief" gesneden, dat kan omdat zowel het instrumentarium van de chirurg als de intensieve zorgen voor de patiënt ontzettend geperfectioneerd zijn. Indien mogelijk gaan we zeer "behoudend" te werk, we raken zo min mogelijk aan het lichaam en werken o.m. met "kijkoperaties".
Onderzoek heeft aangetoond dat het werk van de chirurg van doorslaggevend belang is voor je verdere overlevingskansen. Reden te over dus om je als patiënt goed te informeren en de beste keuze te maken.
In de radiotherapie gaat zowel de kwaliteit van de bestralingen als de levenskwaliteit van de patiënt erop vooruit. We kunnen nu immers veel preciezer en gerichter bestralen, waardoor ook de neveneffecten worden beperkt.
In de chemotherapie zijn de laatste jaren verscheidene nieuwe geneesmiddelen ontwikkeld die meer effect sorteren en minder bijwerkingen hebben.
Ook de immunotherapie wint veld. Hierbij wordt een antilichaam, dat sterk gelijkt op de stof die op een tumorcel zit, in het lichaam ingespoten. Het organisme zal op de komst van deze "indringer" reageren door zelf antistoffen aan te maken die niet alleen de ingespoten stof maar ook de échte kankercellen aanvallen -vandaar de term "kankervaccinatie".
Tenslotte is er ook in de hormonale therapie vooruitgang geboekt. Die wordt ingezet bij kankers waarvan de groei door hormonen wordt beïnvloed, zoals kanker van de schildklier, de prostaat, borst en baarmoeder. Er zijn nieuwe moleculen ontwikkeld die niet alleen de verdere ontwikkeling van een tumor tegengaan, maar die ook uitzaaiingen kunnen voorkomen en zelfs vermijden dat je na een periode van schijnbare genezing hervalt".

Hoopgevende cijfers
Prof. Van Belle: "Sinds 3 jaar kent Europa een daling van het aantal sterfgevallen door borstkanker. Tot 1995 werd elke vooruitgang tenietgedaan door een stijging van het aantal nieuwe gevallen. Die daling van het absolute sterftecijfer hebben we niet te danken aan de uitvinding van één of andere reddende molecule, maar aan de vroegere opsporing van kanker, aan de systematische, en volgens internationale regels voorgeschreven toepassing van chemo- en radiotherapie, aan de betere medische en psychologische begeleiding van de patiënten, en aan de multidisciplinaire aanpak van kanker.
Het zou vandaag niet meer mogen gebeuren dat kankerpatiënten op een ondeskundige manier worden behandeld door artsen die oncologie slechts als één van hun bijactiviteiten hebben. Kanker vereist een totaalaanpak. De huisarts speelt hierin een belangrijke rol. Hij staat dicht bij de patiënt en kan hem voor behandeling doorverwijzen naar het meest geschikte gespecialiseerde centrum. Die keuze is bepalend voor een goede afloop.
Kankerbestrijding is geëvolueerd tot een sterk gespecialiseerde wetenschap die de gelijktijdige inzet van bijzonder veel mensen uit zeer veel disciplines vereist: niet alleen van artsen en verplegend personeel, maar ook van psychologen, voedingsdeskundigen, tot en met vrijwilligers die de familie opvangen. Dit maakt kankerbestrijding erg arbeidsintensief en bijzonder duur. Maar wij vertrekken van het principe dat de patiënt centraal staat, en dat hij recht heeft op de beste verzorging, die bovendien optimaal en perfect georchestreerd moet verlopen. En aan dat principe houden we ons!"

Naar het verhalenoverzicht