Verpleegkundige Jos De Meyer: al 25 jaar op de bres voor patiënten
Jos De Meyer (46 jaar) werkt al ruim 25 jaar als verpleegkundige, waarvan de laatste tien jaar op de afdeling hematologie (bloedziekten) in het UZ Gasthuisberg in Leuven. Vol overgave zet hij zich in voor zijn patiënten. Hij is de brug tussen hen en de dokter, de vertrouwenspersoon van veel mensen, de man die jammer genoeg ook veel levens moet helpen afronden. En dat weegt soms.Tekst: An Van de Velde, uit Leven 7, juli 2000
"Soms is het inderdaad zwaar. Fysiek bijvoorbeeld: vroeg opstaan, laat werken, nachtdienst. En emotioneel: er wordt van ons verwacht dat we het aankunnen. Daar moet je ook geen flauwe praat over verkopen, vind ik. Je kunt bij een patiënt niet met het excuus komen aandraven: ik sta onder stress, het gaat even niet. Maar soms ís het wel zo. Als je het even niet meer aankan, kan je terugvallen op collega's. Mensen tegen wie je kan en mag zeggen: ik zie het niet meer zitten. Eventjes. Want als je de patiëntenkamer binnenstapt, moet je weer de oude zijn. Maar daar tegenover staat dat je in deze job echt het gevoel hebt dat je iets doét. De waardering die je krijgt, is eigenlijk een extra vergoeding. Zo organiseerde een van onze patiënten onlangs een fuif. Om te vieren dat ze precies tien jaar aan de ziekte van Kahler leed (een vorm van beenmergkanker, nvdr). En ze nodigde ook ons, de hulpverleners, uit."
Je kan iets doén!
"Als verpleegkundige spring je voor je patiënten in de bres. Als je voelt dat er een probleem is waarvoor ze niet rechtstreeks een dokter kunnen of durven aanspreken, moet je er staan. Als de arts vraagt 'Alles goed?', zegt een patiënt gemakkelijk 'Ja, dokter'. Terwijl je ziet of voelt dat er wél iets is. Dat hij pijn heeft, of last van een hardnekkig hoestje, dat kan uitgroeien tot een longinfectie. Een arts houdt meestal meer afstand. Letterlijk én figuurlijk."
"Je kan ook helpen met meer persoonlijke dingen. Vragen proberen te beantwoorden over de zin van het leven, het waarom van de ziekte. Goed luisteren, erover praten. Ook omdat de patiënt er soms moeilijk over kan spreken met familie en vrienden. Zij zeggen al gauw, en met de beste bedoelingen: "Och, het zal wel beter gaan." Maar zo kunnen patiënten het gevoel krijgen dat niemand écht de ernst van de situatie wil inzien en zo worden ze eenzaam. Daarom ga ik niet tegen een patiënt in als hij zegt dat hij zich achteruit voelt gaan, maar ik láát het hem zeggen. En ik laat hem uithuilen. Een patiënt eenzaam achter laten, dat kan immers niet."
"Wat enorm helpt, is humor. Humor relativeert, is zalf op de wonde. Door plezier te maken wordt het leven een beetje minder zwaar."
Tussen meevoelen en afscheid nemen
"Soms zijn patiënten erg hard voor hun hulpverleners. Het gebeurt wel eens dat een patiënt zegt: 'Je zou eens moeten voelen wat ik voel'. Als hij dat echt verwijtend zegt, durf ik wel eens reageren."
"Het belangrijkste is dat je je kan inleven. Zonder dat je daarom vraagt, leer je dan je patiënten beter kennen. Je dringt hun leven binnen. Al moet je ook daarin je grenzen trekken. Want als je te sterk meevoelt met een patiënt - hem als het ware bij je laat binnenkomen -, dan kun je niet meer objectief zijn. Zo hou je het niet vol, dan ga je ermee naar huis en slaap je er niet van. Je neemt beter wat meer afstand. Alleen als je naast de patiënt blijft staan, zie je wat hij nodig heeft. Maar het blijft moeilijk. En soms overvalt het je toch nog een keer. Ik herinner me een vrouw die samen met haar man en haar dochter afscheid nam. Ze ging naar huis, bewust dat ze zou sterven, en bedankte me voor de zorgen. 'We gaan er nog het beste van maken,' zei ze, 'maar ik kom niet meer terug. Ik wil mijn tijd thuis doorbrengen. Het ziekenhuis herinnert toch altijd aan ziekte. Thuis herinnert aan het leven, aan wat geweest is.' Toen ik die kamer buitenkwam, ben ik gaan uithuilen in de verpleegkamer, achter de deur van de medicijnkast. Dat gebeurt. Ook bij de collega's."
Het einde
"Soms hoor je zo'n mooie verhalen over de manier waarop mensen gestorven zijn. De rust die over mensen komt die het einde voelen naderen, is een van de mooiste en tegelijk droevigste dingen die je kunt meemaken. Een man die zegt: 'Ik ben nooit zo gelukkig geweest als die laatste weken voor mijn dood.' Dat vergeet je nooit."
"Eigenlijk voel ik mij erg aangetrokken tot dat moment van het leven, dicht bij het sterven. Daar wordt dikwijls zo intens geleefd. Die intensiteit, die kwaliteit is voor mij veel belangrijker dan hoelang iemand nog leeft. In de eeuwigheid is een mensenleven een stipje. Doe daar een maand of een jaar bij. Is dat belangrijk? Natuurlijk is dat belangrijk. Het kán belangrijk zijn. Maar veel belangrijker is de manier waarop je de tijd invult die nog rest. De vreugde die je nog beleeft, het zoeken naar hoe je dat leven nog zinvol kan maken en hoe je het afrondt. Dat is een wezenlijk onderdeel van mijn job: het gaat vaak over sterven en afscheid nemen, mensen gidsen op het einde van hun leven."
"Uiteraard verliezen we niet iedereen. Alleen worden we wel vaak met de dood geconfronteerd. Voetballers krijgen 'extra time' als er na 90 minuten geen winnaar is. Het spannendste moment van heel de match, want dan moet het gebeuren. Ook de geneeskunde geeft 'extra time': overwint de patiënt het uiteindelijk of niet? Op dat moment kijkt hij de dood in de ogen. Als ze hun ziekte dan overwinnen, gaan veel mensen anders leven. Ze geven hun leven de wending waar ze vroeger nooit de moed voor hebben opgebracht en die er zonder de ziekte nooit gekomen zou zijn. Die mensen zie je zelden terug. En gelijk hebben ze, want een ziekenhuis roept niet meteen prettige herinneringen op. Anderen lopen wel af en toe nog eens langs. Een meisje bijvoorbeeld dat aan de ziekte van Hodgkin leed: zij heeft onlangs een pleitwedstrijd voor juristen gewonnen en mag daarom nu naar Amerika."
Doorzetten
"Of je deze job kunt blijven volhouden, hangt met zoveel dingen samen. Hoe zwaar het leven voor je is en hoe licht je het kunt maken. Hoe prettig het werken is met de collega's - bij ons bijvoorbeeld trekt iedereen één lijn, er is een perfecte samenwerking tussen al het medisch personeel, van arts tot verpleger. Dat helpt enorm."
"Ik kan het werk ook even van me afzetten door met kunst bezig te zijn: ik maak wel eens wat in hout, ik schrijf wel eens wat. Dat soort dingen. Ik zeg niet dat het de stress wegneemt. Je moet alleen tijdig je zinnen eens kunnen verzetten."
Naar het verhalenoverzicht





