VBO-boegbeeld Tony Vandeputte door kanker aangetast maar niet gebroken
'De blik in de ogen van mijn vrouw en kinderen. Die liet me beseffen: ik mag niet dood.' Tony Vandeputte leefde als gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen VBO veertien jaar lang in de roetsjbaan van drukte. Half juni van dit jaar nam hij ontslag: 'De ziekte dwong me. Maar ik blijf actief en mijn strategie is: gewoon doorgaan met het leven. Dat is op zich al zo mooi, zo besef ik nu beter dan ooit. Gewoon léven.'
Tekst: Marc Peirs, uit Leven 24, oktober 2004
'Ik leefde altijd zo gezond mogelijk. Sport beoefenen, op mijn voeding letten. Want gedelegeerd bestuurder bij het VBO, dat is een uitermate boeiende maar stresserende job. Daarom ging ik ook sinds jaar en dag om het halfjaar op controlebezoek bij de dokter. En ondanks dat kwam de diagnose 'kanker' als een complete verrassing. Had de dokter het eerder moeten zien aankomen? De vraag doet niet ter zake: praat voor de vaak.'
'Eind juli 2002 werd de diagnose gesteld. Een gevaarlijke kanker, zo bleek al snel. Natuurlijk was het een gigantische schok. Maar ik was niet boos, noch opstandig. Ik heb de ziekte snel gerationaliseerd en ben ze vanuit medisch perspectief gaan bekijken. Operatie nodig? Goed, dan ga ik onder het mes. Dat was nauwelijks veertien dagen na de diagnose. Chemotherapie nodig? Oké, dan start ik die kuur. Nu nog ben ik in behandeling. Ik verdraag de therapie goed. Een geluk. Ik zie en ontmoet andere mensen voor wie de chemo veel zwaarder valt.'
'Natuurlijk ben ik soms bang en stel ik me de vraag 'Wat zal ik morgen nog kunnen doen? Hoe gaat het nu verder?". Maar het is een enorme steun om te zien hoe mijn gezin, mijn vrouw en vier kinderen, me opvangen en bijstaan. Ook de familie, de vrienden, de collega's: wat een sympathie, wat een mooie menselijkheid. Die ervaring is geweldig. Ik boor gevoelens aan die tijdens de drukke dagen van mijn loopbaan stil sluimerden. Ik geniet intens van zaken die voordien vanzelfsprekend leken - de relatie met mijn lieve vrouw, een mooi stuk muziek, een goed boek, lekker eten. Die dingen zitten nu dichter op mijn huid. Dat is een verrijking die de ziekte me geeft - al weet ik dat het bizar klinkt om zoiets te zeggen. De voorwaarde is evenwel dat je fysiek en mentaal nog voldoende gezond bent om te kunnen genieten. Als je pijn hebt, als je lijdt, dan verlies je die sensitiviteit, vrees ik. Maar tot zolang is het mij vreemd om nurks of neerslachtig te worden.'
'Ik denk wel dat ook mijn omgeving merkt dat ik ánders ben geworden. De relatie met mijn vrouw en kinderen beleef ik intenser en het zou me uitermate verbazen mochten zij dat niet zo ervaren. Ook in contacten met vrienden en collega's merk ik meer warmte. De schuchterheid, de noordelijke reserve is afgebrokkeld. Gaat het om ware warmte en vriendschap of om medelijden met een zieke? Ik heb me die vraag nog niet eerder gesteld maar ze is wel terecht. (aarzelt even, dan gedecideerd:) Nee, de hartelijkheid is oprecht. Ik geef geen aanleiding tot medelijden. Medeleven is puik, medelijden hoeft niet.'
'Ik heb geen enkele behoefte om te praten over de precieze details van de ziekte of de behandeling. Dat hoort in mijn privéladenkast, vind ik. Maar tegelijkertijd heb ik geen moeite om aan vrienden of collega's te vertellen hoe ik me voel. Het moet erg moeilijk zijn voor kankerpatiënten die er niet willen over praten. Onnatuurlijk, toch? Bovendien, als je er niks over zegt, kan je ook niet verwachten dat mensen medeleven en warmte tonen, terwijl net dát zo'n mooi geschenk is.'
'Na vijf maanden behandeling ben ik begin 2003 teruggekeerd op het VBO. In een publieke toespraak heb ik alle medewerkers verteld dat ik kanker heb, dat ik soms wat sneller vermoeid kan zijn, dat ik een behandeling onderga. Een half jaar lang heb ik geprobeerd om mijn job te doen met de bezieling die hij vraagt. Maar stilaan groeide het besef dat ontslag nemen de enige optie was. Ik zou het niet kunnen uitstaan om mijn werk maar half en half te doen. En van de weeromstuit zou de job zoveel beslag op me leggen dat ik mijn gezin en vrienden niet de nabijheid zou kunnen geven die ik hen nu wil geven. Iederéén zou verliezen.'
'Ik ben 58. Hoe dan ook zou ik over enkele jaren de job vaarwel zeggen. Dat besef maakte het ontslag minder zwaar. Maar ik wil wél actief blijven. Sinds halfweg juni dit jaar zit een collega in de stoel van gedelegeerd bestuurder, maar ik blijf betrokken bij het VBO en ik blijf professioneel bezig. Ik wil me nuttig maken. Of is mijn activiteit vooral bedoeld om mijzelf het idee te geven dat ik nuttig ben? Soit: die vraag kan iedereen zich stellen, ook wie niet ziek is.'
'Mijn aanpak is eenvoudig: zoveel mogelijk gewoon leven. Blij zijn met elk nieuw teken van verder leven: toen ik na máánden opnieuw kon genieten van een glas goede wijn, dát geluksmoment. Of merken dat ik nog altijd kan sporten. Fietsen, mijn passie. Vroeger reed ik vlot 100 kilometer tijdens een tocht in het weekend, nu fiets ik een uur, of twee uur. Bergop kan ook nog, al gaat het dan trager (lacht).'
'Ik ben gelovig, maar (lacht) ik had van mijn geloof meer verwacht. Misschien schat ik de zaken slecht in, maar ik heb niet de indruk dat mijn geloof me veel helpt in het omgaan met de ziekte. Ik bid, maar niet meer dan vroeger. Het geloof schenkt me ook niet meteen een grotere rust bij gedachten aan de dood. Het idee dat je na de dood verder leeft....Zelfs al ben je gelovig, dan nog blijf je op dat vlak toch met vragen zitten? Ik blijf in elk geval sceptisch. Ik weet niet wat er na de dood zal zijn. Maar ik ben niet bang.'
'Ik mag terugkijken op een gelukkig leven. Ik ben 58, dat is jong, dat is waar. Ik doe mijn best om door te gaan. Wat me vooral sterkte geeft, is de herinnering aan de blik van mijn vrouw en kinderen toen ze de diagnose vernamen. Die blik zei één ding:"Je mág niet sterven." Mijn echtgenote en kinderen, allemaal jonge volwassenen tussen 22 en 26 jaar, gaan op een bijzonder integere manier met mijn ziekte om. We zijn een hecht gezin: we gaan nog altijd elk jaar samen op reis. En het zijn niet de ouders die de kinderen moeten overtuigen om dat te doen (lacht).'
'Mijn blik op de samenleving blijft dezelfde. Mijn analyses en overtuigingen zijn ongewijzigd gebleven. Mocht ik nu sociale onderhandelingen voeren, dan zou ik vast even hard mijn punt maken als voor ik ziek werd (lacht). Maar de individuele mens bekijk ik wél anders. Politici en sociale partners van alle gezindten en alle regio's hebben me bezoeken gebracht of brieven geschreven. Dat had ik niet verwacht. Het maakt me ontzettend blij. En ik heb het vaste voornemen gemaakt om in de toekomst ook vaker persoonlijk contact te nemen wanneer iemand in een probleemsituatie terechtkomt.'
'Onlangs las ik de novelle Oscar et la Dame Rose van Eric Emmanuel Schmitt. Het is het verhaal van een jongetje van tien dat aan kanker lijdt. Hij gaat sterven. Een dame die vaak op bezoek komt, overtuigt hem ervan te leven alsof elke dag van zijn leven tien jaar waard is. Zo krijgt de kleine knaap toch de indruk dat hij het volle, het volledige bestaan meemaakt, alsof hij zeventig of tachtig jaar lang zou hebben geleefd. Weet je: met die jongen voel ik me soms verwant.'






