LinksSitemapContact
U bent hier:

Simon Van Herck (14): 'Later word ik oncoloog'

Stierenvechter

Simons mama, Lieve Swinnen, schreef een boek over de tijd dat Simon ziek was: Onze stierenvechter. Opgroeien met leukemie (uitg. Van Halewyck, 2002).

Kinderen en kanker

Elk jaar krijgen in Vlaanderen 160 kinderen onder de 15 jaar kanker. Zij worden bijna allemaal behandeld in een van de vier gespecialiseerde kinderkankercentra (UZ Gent, UZ Leuven, AZ VU Brussel of AZ Middelheim Antwerpen). Een team van artsen, psychologen, verpleegkundigen, sociaal werkers, spelbegeleiders en ziekenhuisleerkrachten zorgt ook voor een zo goed mogelijke psychologische en sociale omkadering van de kinderen en hun familie, zowel in het ziekenhuis als thuis. Heeft u als familie vragen, aarzel dan niet om iemand aan te spreken van het centrum waar uw kind behandeld wordt.

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit het tijdschrift Leven naar de brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer van Leven.

Simon Van Herck. Foto Ivo Hendrikx Met rode wangen van het frisse weer stapt Simon binnen. Of is het van de repetitie van de dansgroep? Straks vertrekt hij naar de atletiek; polsstokspringen is zijn grote passie. 'Je hebt er kracht voor nodig', vertelt hij. En: 'Ondersteboven hangen is zo leuk!'
Dan praten we over leukemie en ziek zijn als kleuter en kind. Simon Van Herck, nu veertien, werd voor het eerst ziek toen hij vijf was en opnieuw op tienjarige leeftijd. Vijf jaar genezen zijn, had hij net niet gehaald.

Tekst: Els Put, uit Leven 22, april 2004

'Ik weet niet veel meer over die eerste tijd. Ik was nog zo klein. Het ziekenhuis herinner ik me wel. Ik besefte dat ik erg ziek was omdat ik daar zo lang moest blijven. Omdat de dokter dikwijls met mijn mama en papa kwam praten en iedereen zo bezorgd was. De diagnose leukemie zei me toen niet veel. De tweede keer wist ik meteen dat het niet goed zat. Ook al voelde ik me niet ziek. Ik was verdrietig en boos omdat ik weer zo lang naar het ziekenhuis zou moeten. Weet je, griep en leukemie zijn net andersom. Bij griep ben je misselijk en ziek en maken pillen je weer beter. Bij leukemie voel je eerst niet veel maar nadien ben je verschrikkelijk ziek van al die infusen.'

'Tijs was mijn vriendje, de eerste keer in het ziekenhuis. Hij was net even oud als ik en had ook leukemie. We speelden samen in onze kamer of op de gang als we geen infuus hadden. Of we gingen naar het kleuterklasje of muziekklasje in het ziekenhuis. Dat was leuk. En af en toe kwamen de clowns: die maakten me altijd aan het lachen met hun gekke gedoe en leerden me trucs.'

'Raf, Rudi en Kris, de verplegers, waren ook mijn dikke vrienden, die waren tof. Vaak bracht er iemand een eitje voor me mee. Ook dat was leuk. Het ziekenhuiseten was echt niet lekker en ik at haast niets. Maar in een eitje had ik altijd zin. Het allerleukste moment van die hele tijd was toen de dokters me vertelden dat mijn negende chemokuur niet meer hoefde, de allerlaatste behandeling de tweede keer. Ik was voordien ook echt doodziek geweest.'

Ouders, vrienden en artsen

'Er was één fijne dokter: de chirurg die mijn stoma aanlegde, dat is een uitgang van mijn darm op mijn buik. Die dokter kwam alles aan mij uitleggen en ik mocht hem alles vragen. Die dokter sprak met mij! Pas nadien sprak hij met mama. Andere dokters praatten altijd alleen met mama of papa en dan moest ik maar volgen wat ze zeiden. Ze gebruikten moeilijke woorden die ik vaak niet begreep en ik kon hen niets vragen. Ook op de radiotherapie, na de tweede behandeling, praatten de artsen en verplegers met mij. Ze legden me alles haarfijn uit zodat ik wist wat er ging gebeuren en ik helemaal niet bang was.'

'Mama en papa waren er natuurlijk altijd. In het ziekenhuis en bij onderzoeken. Mama is dokter en mocht zelfs bij me blijven tijdens mijn operaties. Weten dat ze er was, voelde goed. Eén keer mocht mama niet bij me zijn, op Kerstdag toen mijn darm hersteld werd. Toen voelde ik me heel wat minder veilig.'

'Pim belde ook elke dag. Pim is mijn vriend uit mijn klas. Zo kon ik elke dag met hem praten. Dat hielp, weet je. En iedereen uit mijn klas maakte tekeningen voor in mijn ziekenkamer en een boek met tekeningen en teksten. Ik heb ze nog steeds.'

Vervelen en verwikkelingen

'Niet alles was leuk, hoor. Helemaal niet. Vooral de tweede keer was ik erg ziek tijdens de chemokuren en lag ik dagenlang in mijn bed. Ik was misselijk en moe. Ik had hoofdpijn en buikpijn en mijn haar viel uit. Ik kon met niemand spelen en niets anders doen dan mij vervelen. Ik sliep of keek wat naar de televisie. Soms las ik in een strip. Maar eigenlijk wou ik buiten spelen met mijn vrienden.'

'Ik had een heleboel verwikkelingen. De eerste keer kreeg ik suikerziekte en moest ik vieze cornflakes en nepsuiker eten. En het eten was al niet lekker in het ziekenhuis! Ik kreeg een infectie met een vieze microbe, de campylobacter. Daardoor kreeg ik hoge koorts, begon ik te schudden en te beven zonder dat ik er iets aan kon doen en sloegen mijn darmen in een knoop. En later moest ik die stoma. Na die operatie wakker worden was niet leuk; het zakje was losgekomen en mijn hele buik was nat.'

Doodgaan?

'Vanaf de eerste dag dat ik ziek was, moest ik een heleboel prikken: prikken om bloed te nemen en puncties in mijn ruggenmerg en beenmerg. Als ik een prik in mijn arm of een spuitje krijg, hou ik iemands hand vast. Dat gevoel is genoeg, dan voel ik niet veel. De puncties deden wel veel pijn maar ik weende of riep nooit. Ik had altijd de hand van mama vast zodat ik er in kon knijpen als ik het erg moeilijk had. Ik denk niet dat ik dat gedaan heb. Het is nooit fijn om pijn te hebben. Maar al die dingen moesten gebeuren om te kunnen genezen.'

'De laatste chemokuur was heel erg. Ik dacht, ik haal het niet, ik kan doodgaan. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om dood te gaan. Om dood te zijn. Hoe dat zou gebeuren. Of ik dat op voorhand zou weten. Hoe dat voor anderen zou zijn. En wat ik dan niet meer met mijn vrienden zou kunnen doen. Ik praatte er met mijn mama over en vroeg haar om uitleg. En aan de verpleegster. Die stelden me gerust.'

Later word ik oncoloog

'Pim en ik zijn gekke vrienden. Pim is al één meter tachtig en ik ben nog klein. Maar dat maakt voor ons niets uit. Ik zal wel groeien, alleen een beetje later dan mijn vrienden. Ik krijg ook injecties om te groeien. Heel erg groot, zo groot als Pim, zal ik niet worden, maar dat geeft niets.'

'Misschien kan ik later minder makkelijk vader worden. Ik zie wel. En topsporter worden, kan ik ook niet. Dat vind ik spijtig want daar droomde ik vroeger van. Nu ja, echt belangrijk is dat niet. Later word ik oncoloog. Zodat ik andere kinderen kan helpen. Dat weet ik zeker!'

'Of ik bang ben, opnieuw ziek te worden? Ik denk er af en toe aan, maar we hebben genoeg gedaan. Nog zwaarder kan een behandeling niet zijn. En ik voel me veel te goed. Neen, ik word niet meer ziek. Volgend jaar vier ik mijn vijf jaar. Volgend jaar? Neen, dit jaar, binnen zes maanden. Hé, dat is dichtbij! Dat wordt feest!'

Naar het verhalenoverzicht