LinksSitemapContact
U bent hier:

Pancreaskanker

Meer lezen

Verwante informatie

Wat is pancreaskanker?

De pancreas of alvleesklier is langwerpig van vorm en ligt boven in de buikholte, tussen de maag en de ruggengraat. Onder de pancreas ligt de dunne darm.

De pancreas bestaat uit twee soorten klieren: de exocriene klieren en de endocriene klieren. De exocriene klieren scheiden pancreassap af. Dat sap bevat enzymen die het lichaam nodig heeft om voedsel te verteren. De endocriene klieren maken hormonen aan. Die beïnvloeden de stofwisseling, de spijsvertering en het functioneren van de darmen. Een voorbeeld van zo'n hormoon is insuline, de stof die onder andere de hoeveelheid suiker in het bloed regelt.

Soorten pancreaskanker
In het merendeel van de gevallen ontstaat het gezwel in de exocriene klieren, maar het kan ook ontstaan in de endocriene klieren. In deze brochure beperken we ons tot de eerste soort.

De Stichting Kankerregister registreerde in 2006 in Vlaanderen 656 nieuwe gevallen van pancreaskanker, waarvan 354 (54%) bij mannen en 302 (46%) bij vrouwen. Pancreaskanker kan op alle leeftijden voorkomen, maar vooral bij mensen boven de 60 jaar.

Onderzoeken?

In een vroeg stadium veroorzaakt pancreaskanker nauwelijks klachten. Naarmate de tumor groeit, neemt de kans op klachten toe. De volgende klachten of symptomen kunnen wijzen op pancreaskanker: pijn boven of in het midden van de buik of de rug, gele kleur van de huid en de ogen door geelzucht, gewichtsverlies, spijsverteringsproblemen, verminderde eetlust, misselijkheid en braken. Deze symptomen wijzen echter niet altijd op kanker: er zijn veel andere ziekten met gelijkaardige symptomen.

De huisarts zal bij een of meer van bovenstaande klachten het lichaam onderzoeken. Vervolgens zal hij of zij waarschijnlijk een onderzoek van het bloed, de urine en de stoelgang voorstellen om de werking en de conditie van de pancreas te meten.
Als uw huisarts vermoedt dat er sprake is van pancreaskanker, zal hij u doorverwijzen naar een specialist. De specialist herhaalt het lichamelijk onderzoek en voert aanvullende onderzoeken uit.

Aanvullend onderzoek begint meestal met een echografie (onderzoek met geluidsgolven). Bij een echografie wordt de pancreas in beeld gebracht en kan de arts een eventuele tumor zien. Als er op de echografie een afwijking wordt vastgesteld, kan er in sommige gevallen een biopsie volgen. Soms wordt de pancreas niet gezien tijdens de echografie omdat er lucht voor zit of de patiënt zwaarlijvig is. De pancreas ligt immers achteraan in de buik.
Bij een biopsie verwijdert de arts een stukje weefsel uit de pancreas om het in het laboratorium op kankercellen te laten onderzoeken. Dit gebeurt soms tijdens een echografie (zie hoger), CT-scan (zie lager) of echo-endoscopie (zie lager).
Andere manieren om de pancreas in beeld te brengen, zijn een CT-scan of computertomografie (zeer gedetailleerde röntgenfoto's van het lichaam), een MRI (of magnetic resonance imaging: een scan waarbij met een sterke magneet beelden van het inwendige van het lichaam gemaakt worden), een echo-endoscopie (dit is een endoscopie om in de pancreas te kijken met een buisje waaraan op het uiteinde een echografiesonde gemonteerd is) of een ERCP (endoscopische retrograde cholangio-pancreaticografie). De arts brengt in dat laatste geval via de mond een buigzaam slangetje (de endoscoop, ook wel scoop genoemd) voorbij de slokdarm en maag tot in de twaalfvingerige darm. De arts kan zo contrastvloeistof in het kanaal van de pancreas en in de galwegen spuiten en vervolgens radiologische opnames en foto's maken of door een kijkertje aan het andere eind van de endoscoop de organen onderzoeken.

Als de diagnose pancreaskanker valt, kunnen nog andere onderzoeken volgen om na te gaan of er mogelijk uitzaaiingen zijn elders in het lichaam: een MRI (zie hoger), een longfoto of CT-scan van de longen (om na te gaan of er uitzaaiingen zijn in de longen). Soms wordt er ook een kijkoperatie (laparoscopie) gedaan om na te gaan of er uitzaaiingen zijn op het buikvlies. Bij pancreaskanker vindt men immers soms zeer kleine uitzaaiingen op het buikvlies die niet goed te zien zijn met de andere onderzoeken.

Stadia
Aan de hand van de hierboven beschreven onderzoeken kan de arts het stadium van de ziekte vaststellen, dat is de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. De arts houdt hierbij rekening met de grootte van de tumor, de eventuele doorgroei van de tumor buiten de pancreas en de aanwezigheid van uitzaaiingen in de lymfeklieren en/of organen elders in het lichaam. Voor pancreaskanker onderscheiden we vier stadia. Ze worden aangeduid met Romeinse cijfers van I (beginstadium) tot IV (vergevorderd stadium).

Behandeling?

De meest toegepaste behandelingen van pancreaskanker zijn op dit moment een operatie (chirurgie), een behandeling met medicijnen (chemotherapie), of bestraling (radiotherapie), meestal in combinatie met chemotherapie.

De behandelende arts zal een van deze behandelingen of een combinatie ervan adviseren, afhankelijk van het stadium waarin de ziekte zich bevindt, de plaats en de grootte van de tumor, de vorm van de pancreas en de algemene conditie en leeftijd van de patiënt. Als de ziekte beperkt is gebleven tot de pancreas en niet is uitgezaaid, zal de specialist wellicht een curatieve behandeling voorstellen. Een curatieve behandeling is gericht op de genezing van de patiënt. Bij een uitgezaaide pancreaskanker wordt een palliatieve behandeling voorgesteld. Dat is een behandeling die de ziekte niet geneest, maar ze kan de tumorgroei wel afremmen en/of klachten verminderen.

Als patiënt hebt u recht op correcte informatie over de behandelingsmogelijkheden en duidelijke uitleg over de voordelen, bijwerkingen, risico's en kosten van de behandelingen, vooraleer u uw toestemming geeft. Aarzel niet uw arts vragen te stellen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.

Chirurgie als curatieve behandeling
Bij een relatief kleine tumor in de kop van de alvleesklier stelt de specialist meestal een Whipple-operatie voor. Bij een dergelijke operatie verwijdert de chirurg het deel van de pancreas waarin de tumor zit, de twaalfvingerige darm, de galblaas en een groot deel van de grote galbuis. Soms wordt ook een deel van de maag verwijderd.
Bij een tumor in de staart van de pancreas moet dit deel van de pancreas weggenomen worden zonder wegname van de galwegen of twaalfvingerige darm. Soms wordt de milt ook weggenomen.

Bijwerkingen
Een pancreasoperatie is ingrijpend en complex.
Als een deel van de maag verwijderd wordt, worden de alvleesklier, de galwegen en eventueel het resterende deel van de maag verbonden met de dunne darm. Een nadeel van deze operatie is dat de sluitspier op de overgang van de maag naar de dunne darm weg is. Daardoor komt het voedsel sneller dan normaal door de maag en de dunne darm. Het wordt bijgevolg niet volledig verteerd en niet goed opgenomen in de dunne darm. Dat kan klachten veroorzaken na de maaltijd, zoals misselijkheid, buikpijn, braken, diarree of sterk transpireren.
Als de maag gespaard kan worden, ondervindt de patiënt doorgaans minder klachten dan als een deel van de maag verwijderd wordt. Na een maagsparende operatie ledigt de maag soms enige tijd minder goed, waardoor het eten wat moeizamer kan gaan en de patiënt zich misselijk kan voelen.
Na een operatie maakt de pancreas bij sommige patiënten niet meer voldoende enzymen of hormonen aan. Dit kan bij een tekort aan enzymen (tijdelijk) klachten geven als een opgeblazen gevoel, misselijkheid en vette diarree (omdat de pancreasenzymen een rol spelen in de vertering en opname van voedsel, waaronder vet). Deze stoelgang drijft op het toiletwater en spoelt moeilijk door. Door deze verminderde opname van vet kan men calorieën verliezen en dus vermageren. Bij een tekort aan hormonen kan er een insulinetekort en dus diabetes ontstaan. Er bestaan medicijnen om die tekorten weg te werken. Pancreasenzymen kunnen eenvoudig toegediend worden in de vorm van tabletten die ingenomen worden voor de maaltijd om de vertering en opname van vet uit de voeding te verbeteren.

Chirurgie als palliatieve behandeling
Helaas blijkt bij een deel van de patiënten tijdens de operatie dat het toch niet mogelijk is om de tumor te verwijderen omdat hij al is uitgezaaid of doorgegroeid in het omliggende weefsel. In dat geval heeft het weinig zin om de pancreas te verwijderen. De arts kan de operatie wel voortzetten als palliatieve behandeling: om symptomen te verlichten of te voorkomen. Een voorbeeld van een dergelijk symptoom is een verstopte darm, maaguitgang of galweg. Die kunnen pijn, misselijkheid, geelzucht of spijsverteringsproblemen veroorzaken. Door de ingreep neemt de chirurg de verstopping weg (bypass-operatie).

Chemotherapie
Chemotherapie wordt bij pancreaskanker meestal gegeven als een palliatieve behandeling om de ziekte kortdurend te remmen. Soms wordt een chemotherapie ook voorgesteld na een operatie om de kansen op recidief of herval te verbeteren zelfs als er geen uitzaaiingen zijn. De chemotherapie wordt dan ook heel soms gecombineerd met bestraling.
De naam ‘chemotherapie' verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die de kankercellen vernietigen of hun groei remmen. De medicijnen worden meestal rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en overal eventuele kankercellen kunnen bereiken.
Vaak wordt voor de toediening van chemotherapie onder plaatselijke verdoving een poortkatheter ingeplant (voluit een subcutane veneuze poortkatheter, beter bekend onder de merknaam Port-a-cath). Een poortkatheter maakt het mogelijk om op een eenvoudige manier gedurende langere tijd celremmende geneesmiddelen (cytostatica) en andere medicijnen en vloeistoffen toe te dienen. Het systeem is voor de patiënt comfortabeler omdat er niet telkens opnieuw in de aders geprikt hoeft te worden en omdat het minder problemen geeft met de aders in de arm.
Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt soms een combinatie (een ‘cocktail') van  cytostatica voorgeschreven.

Bijwerkingen
Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, haaruitval, een ontstoken mond, een verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, een doof of slapend gevoel en/of tintelingen in de handen en voeten... Ze verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de medicijnen, de hoeveelheid medicatie en de duur van de behandeling. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Bepaalde bijwerkingen kunnen echter maanden of jaren blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, verminderde weerstand, smaakveranderingen, doof gevoel in de vingers...

Radiotherapie
Radiotherapie of bestraling wordt bij pancreaskanker meestal gegeven als een palliatieve behandeling om de pijn te bestrijden of om bloedverlies te stoppen. Bij een aantal patiënten wordt de bestraling gecombineerd met chemotherapie.
Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt een stralenbundel precies gericht op de plaats van het gezwel of de plaats waar het gezwel zich bevond.
Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per patiënt, en ook de duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. De bestraling op zich is pijnloos.

Bijwerkingen
De radiotherapeut zal ervoor zorgen dat de toegediende dosis en het bestralingsveld zodanig worden berekend dat er zo weinig mogelijk schade wordt berokkend aan gezonde weefsels en organen. Toch kan straling ook invloed hebben op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Als bijwerkingen kunnen vermoeidheid, misselijkheid, darmkrampen en diarree voorkomen. Deze bijwerkingen verdwijnen normaal een tijd na de therapie.

Endoscopische behandeling
Patiënten met een tumor in de kop van de pancreas gelegen, kunnen soms geelzucht ontwikkelen omdat de tumor of klieren op de galwegen kunnen duwen en zo de afvoer van gal kunnen belemmeren. Dan moet er tijdens het ERCP (zie hoger) een prothese of stent geplaatst worden in de galwegen. Dit zijn plastieken of metalen buisjes die toelaten dat de gal opnieuw goed kan aflopen.

Doelgerichte therapie
Door een betere kennis van het ontstaan van bepaalde kankers, is er de laatste jaren een nieuwe generatie medicijnen ontwikkeld die veel doelgerichter de kankercellen beïnvloeden (targeted therapies). Deze behandelingen zijn dikwijls ook in de vorm van pillen beschikbaar.

Bijwerkingen
De ernst en frequentie van bijwerkingen verschillen van product tot product. Enkele voorbeelden zijn diarree, verminderde eetlust en vermoeidheid.

Na de behandeling?

Geneeskansen
De kans op genezing hangt van veel dingen af: van de uitgebreidheid van de ziekte bij diagnose, van de algemene toestand van de patiënt, van de aan- of afwezigheid van uitzaaiingen, van het effect van de behandeling enz. De behandelende arts kan meer uitleg geven over al deze factoren.

Algemeen geldt dat hoe kleiner de tumor en hoe vroeger ontdekt, hoe beter de overlevingskansen. Pancreaskanker wordt meestal pas in een laat stadium ontdekt doordat de klachten in het beginstadium van de ziekte heel vaag zijn. Pancreaskanker is een zeer agressieve vorm van kanker. Als pancreaskanker wordt ontdekt, zijn er vaak al uitzaaiingen of is de tumor al ver doorgegroeid in het omliggende weefsel. Dat verklaart waarom voor de meeste patiënten met pancreaskanker de overlevingskansen beperkt zijn. Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij of zij kent uw situatie het best.

Nazorg
Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de fysieke ongemakken die de behandeling meebrengt, worden de meeste kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen, angsten en onzekerheden. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden.
Deel van de nazorg is een geregelde medische controle (lichamelijk onderzoek, bloedafname, radiografieën) om een mogelijk herval zo snel mogelijk op te sporen of om na te gaan of de ziekte onder controle is. Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen.
Hulp bij de praktische én bij de emotionele aspecten van de ziekte is vaak welkom. Nazorg is in beide situaties erg belangrijk. Het begrip ‘nazorg' houdt dan ook veel in: medische begeleiding, oncorevalidatie (onder begeleiding bewegen om de fysieke conditie én de levenskwaliteit te verbeteren), psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.


Vragen?

Uw arts
Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Hij of zij kent uw ziekte en het verloop immers het best.

Psychische en sociale opvang
Alle kankerafdelingen beschikken over gespecialiseerde zorgverleners (verpleegkundigen, psychologen en sociaal werkers) die u kunnen helpen met praktische en emotionele problemen. Vraag naar hen in het ziekenhuis.

Uw omgeving en lotgenoten
Familie, vrienden en verwanten kunnen eveneens veel steun bieden. Het kan ook helpen om over de ziekte te praten met andere kankerpatiënten, bijvoorbeeld via een patiëntenvereniging of lotgenotengroep .

Kankertelefoon

Logo KankertelefoonOp deze pagina worden wellicht niet al uw vragen beantwoord. Blijf er echter niet mee zitten, maar schrijf ze op, stel ze aan uw arts of bel naar de Vlaamse Kankertelefoon (elke werkdag van 9 tot 12 en van 13 tot 17 uur, of stuur een e-mail naar kankerlijn@tegenkanker.be). U kunt er terecht voor een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek. U kunt er ook informatie krijgen over verdere begeleiding van patiënten, over contact met lotgenoten (bijvoorbeeld via lotgenotengroepen), sociale voorzieningen voor patiënten, aanvullende behandelingsmethoden, palliatieve zorg enz.

Naar boven

Laatst gewijzigd: 07/04/2011