LinksSitemapContact
U bent hier:

Nieuwe classificatie longkanker kan behandeling verbeteren

Meer lezen

Wie is Peyman Sardari Nia?

  • 1975: geboren in Teheran (Iran)
  • 1995-2002: studeert geneeskunde aan de Universiteit Antwerpen
  • 2002-2009: doctoreert aan de Universiteit Antwerpen onder leiding van prof. dr. Eric Van Marck en prof. dr. Paul Van Schil en volgt er de specialisatie algemene heelkunde
  • 2009: wordt erkend als algemeen chirurg
  • Sinds 1 januari 2009: is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de dienst thorax- en vaatheelkunde van de Universiteit Antwerpen
  • Sinds 1 oktober 2009: is fellow (toegevoegd arts) hart- en longchirurgie in het St.-Antonius Ziekenhuis Nieuwegein (Nederland)
  • Begin 2010: presenteert zijn onderzoek op een congres van de American Association of Cancer Research, de grootste en oudste kankervereniging in de wereld
Peyman Sardari Nia (foto: Pol Leemans) Voor zijn onderzoek naar longkanker ontving Peyman Sardari Nia (35) vorig jaar drie prestigieuze prijzen. Geheel terecht, want zijn werk opent de weg naar een betere behandeling van de ziekte. Het Kankeronderzoek Emmanuel van der Schueren gaf hem 50.000 euro steun voor verder onderzoek.

Peyman Sardari Nia was als kind al gefascineerd door wetenschappelijk onderzoek. In het zesde jaar van zijn geneeskundeopleiding meldde hij zich aan bij het onderzoekslaboratorium van de Universiteit Antwerpen. Hij werd er ingeschakeld in een onderzoek naar bloedvatvorming in uitzaaiingen van longkanker. ‘De groei van een kankergezwel is afhankelijk van de vorming van nieuwe bloedvaten', legt Peyman Sardari Nia uit. ‘Als je de bloedvatvorming kunt stoppen, kun je ook de tumorgroei stoppen. Daarom is het belangrijk om zo veel mogelijk informatie te verzamelen over die bloedvatgroei.'

Na uw geneeskundestudies maakte u een doctoraatsstudie over die bloedvatgroei. Wat hebt u toen precies bestudeerd?
Peyman Sardari Nia: ‘Er zijn grosso modo twee grote soorten longkanker, afhankelijk van hoe de cellen er onder de microscoop uitzien: kleincellige en niet-kleincellige. Ongeveer 76% van alle longkankers zijn niet-kleincellig. Ik ging na of het mogelijk was om niet-kleincellige tumoren op basis van het groeipatroon van de bloedvaten op te delen in categorieën. Ik legde daarvoor samen met mijn collega's een databank aan van tumorweefsels van geopereerde longkankerpatiënten. Voor elk tumorweefsel onderzochten we welk groeipatroon het volgde. We kwamen uit op drie categorieën.'

Wat is het belang van die nieuwe classificatie?
‘Bij de keuze van de behandeling van longkanker baseren artsen zich wereldwijd op de TNM-methode. Aan de hand van deze methode beschrijven ze de primaire tumor, de dichtbijgelegen lymfeklieren en de uitzaaiingen. Op basis van de gegevens wordt een indeling in groepen van patiënten gemaakt. Elke groep heeft een bepaalde prognose, die overeenkomt met het gemiddelde percentage patiënten dat vijf jaar na de diagnose nog leeft. Maar bij de meest voorkomende vorm van longkanker, de niet-kleincellige longkanker, zijn er binnen de groepen grote verschillen. Samen met mijn collega's heb ik kunnen aantonen dat die verschillen te wijten zijn aan het groeipatroon van de bloedvaten.'

Hoe draagt een betere indeling in categorieën bij tot een betere behandeling?
‘Het bepalen van het stadium van een kanker helpt een arts niet alleen om een voorspelling te maken van de kans die een patiënt heeft om te genezen; het helpt ook om de juiste behandeling te kiezen. Als de ziekenhuizen ons classificatiesysteem overnemen, zullen artsen op termijn een meer gerichte en geïndividualiseerde behandeling van niet-kleincellige longkanker kunnen voorschrijven en betere resultaten kunnen boeken.'

U kreeg voor uw onderzoek 50.000 euro steun van het Kankeronderzoek Emmanuel van der Schueren. Wat gebeurt er met dat geld?
‘Tot nu toe was classificatie alleen mogelijk bij geopereerde patiënten, want voor het bepalen van de bloedvatvorming hadden we grote stukken tumorweefsels nodig. Nu willen we uitzoeken of we ook met een kleine hoeveelheid tumorweefsel kunnen werken. Als dat lukt, kunnen we de classificatie toepassen op alle patiënten met longkanker. Via een kleine ingreep halen we dan een stukje weefsel uit de long en onderzoeken we het in het laboratorium. Ik ben heel blij met de steun van het Kankeronderzoek Emmanuel van der Schueren, want genetisch materiaal analyseren is een supergespecialiseerde en dure aangelegenheid.'

Wat hoopt u nog met het genetisch onderzoek te bereiken?
‘In het laboratorium wordt nagegaan of onze indeling in categorieën samenhangt met specifieke eigenschappen van het genetisch materiaal. Als we kunnen aantonen dat bepaalde genen samengaan met een bepaald groeipatroon, dan zullen artsen in te toekomst aan de hand van onderzoek van een klein stukje weefsel het groeipatroon van de tumor kunnen voorspellen. Het uit­eindelijke doel is een aangepaste behandeling voor elk groeipatroon, wat de genezingskansen van mensen met niet-kleincellige longkanker zal doen toenemen.'

Tekst: Frederika Hostens, foto: Fotostudio Leemans, uit Erfenissen tegen Kanker, najaar 2010

Ander wetenschappelijk onderzoek