LinksSitemapContact
U bent hier:

Mieke Vogels over het verlies van een geliefde: 'Honderd keer met de kop tegen de muur'

"Ik was 17, Michel 19. Zes jaar heeft hij de strijd tegen Hodgkin volgehouden. Maar de kanker was sterker." Na twintig jaar vertelt Mieke Vogels voor het eerst en "met veel schroom" over het verlies van haar jeugdliefde. "Mijn verhaal is een voorbeeld van hoe sociaal-psychologische opvang niét moet. Kwaad? Rázend ben ik geweest."

Tekst: Marc Peirs, uit Leven 13, januari 2002

"Doodmoe. Zienderogen aan het vermageren. Huiduitslag overal. Tijdens de examenperiode van de eerste kandidatuur pol en soc werd Michel ziek. 'Overspannen', luidde de eerste diagnose. Begin juli werd Michel in het ziekenhuis opgenomen. En ik, zijn lief, kreeg argwaan. Van de artsen hoorde ik niets. Michels vader zei langs zijn neus weg dat het 'misschien toch niet zo goed' was dat we een koppeltje bleven. Wie wist wat? Wie was op de hoogte, en bij wie kon ik terecht? Een mistgordijn van vage informatie en halve suggesties."

"In medische handboeken ging ik napluizen wat ik over de symptomen vinden kon. Zo kwam ik uit bij de ziekte van Hodgkin, lymfeklierkanker. 'Kan u dat bevestigen?', vroeg ik Michels huisarts. 'U bent geen familie, ik hoef met u niet te spreken', zei die man. Páts! Toen ik aandrong, kreeg ik helemáál een natte dweil in mijn gezicht: 'Ik kan u maar één ding aanraden. U bent jong. Uw vriend heeft niet veel toekomst. Laat hem vallen en ga op zoek naar een ander lief.' Dat zeggen tegen een verliefde tiener... Zo hard. Zo bot."

"Voor mij begon een tocht door de hel. Kende Michel de waarheid? Waarom zeiden zijn ouders niets? Waarom vertelde niémand me wat? Uiteindelijk heb ik Michel verteld wat ik wist. Hij huilde. Ik vermoed dat het voor hem een bevestiging was van wat hij vreesde maar niet durfde, niet kon, niet wou uitspreken. Kanker. Het woord zou taboe blijven - bij Michel, bij zijn ouders. Onuitgesproken. Zes jaar lang."

"Die onwil om te praten zorgde ervoor dat Michel compleet willoos de behandeling onderging. Hij vroeg niets. En de artsen vertelden niets. De gemakkelijkste oplossing, maar niet de correcte. Stel je voor: Michel werd in de liesstreek bestraald en hem is nooit verteld dat hij daardoor onvruchtbaar kon worden. Nooit. We hebben het zélf moeten ondervinden, later."

"Ook de ouders van Michel verkozen van meet af aan de stilte. Dat is geen verwijt, maar een feit: ze konden de situatie gewoonweg niet aan. Hun enige zoon, een fijne kerel, een flinke student... En dan dit? Dat mocht niet waar zijn. Met alle geweld wilden ze de schone schijn hooghouden. Vroeg er iemand naar Michel, dan ging het van: 'Michel? O ja, alles prima. Hij is op stage.' In werkelijkheid werd Michel toen behandeld met chemotherapie. En hij verbleef bij ons thuis."

"Mijn broer maakte zijn kamer vrij en sliep op zolder op een luchtmatras. Mijn vier zussen en ik sliepen samen op twee kamers. Een prachtige steun en solidariteit van mijn familie heb ik ervaren en ik ben er nog altijd dankbaar om. Want de behandeling was een ware verschrikking. 's Ochtends ging ik met Michel de bus op, naar het ziekenhuis. Voor zijn infuus. En maar hopen dat we weer thuis waren voor de misselijkheid toesloeg. Zweten, braken,... Per dag moest ik tot drie keer toe zijn beddengoed vervangen."

"Michel in chemotherapie, Michel weer beter, een terugval, weer beterschap... Zes jaar hebben we op dat ritme geleefd. De langste periode zonder behandeling was negen maanden. Ook toen bleef het taboe overeind. Michel was er als de dood voor dat hij nagekeken zou worden: 'kijk daar, ocharme, dat is die jongen met kanker'. Zijn ouders hielden het bij: 'Michel is nu al drie maanden zonder behandeling' of 'hij kan toch alweer wat beter eten'. Michel zelf heeft één keer een vriend in vertrouwen genomen. Voor de rest verbood hij mij erover te spreken. In de scoutsgroep waar we samen leiding gaven, liet hij nooit ofte nimmer iets los. Was hij te ziek om zijn artikels voor het ledenblad te schrijven, dan deed ik dat in zijn plaats. Ook aan de universiteit deed hij er alles aan om niets te laten blijken. Hij heeft zijn studie afgewerkt. Omdat hij niet wou zien dat hij ziek was? Ja. Maar ook omdat hij oprecht geloofde dat hij beter zou worden. En dan zou dit alles, die vervelende periode, afgesloten zijn. Voorbij."

"Maar de ziekte ging niet voorbij en Michel werd niet beter. En ik? Ik wou álles proberen om hem te helpen. Maar ik liep tegen de muur, wel honderd keer. Mijn huisarts gaf de tip om een specialist in Leuven te raadplegen. Maar dan moest het medisch dossier worden overgebracht, en dat was moeilijk; dan moesten er onderzoeken worden overgedaan en dan zou het woord 'kanker' moeten vallen en dat was taboe bij Michel en zijn ouders... Ik ging te rade bij alternatieve dokters en de macrobiotiek. Maar daar kreeg ik al te vaak de indruk dat ze me met alle geweld een dikke plak ideologie wilden aansmeren, veeleer dan oprechte, menselijke steun en opvang te bieden. Op een bepaald moment heb ik mijn studie opgezegd. Ik wou werken, samenwonen met Michel en ik wou een kind van hem. Want in een kind leef je verder, zelfs als je sterft. Maar dan bleek dat de stralingsbehandeling Michel onvruchtbaar had gemaakt - zo kwamen we dat te weten. Niemand had hem - of mij - dat ooit verteld."

"De laatste maanden van zijn leven heeft Michel thuis doorgebracht. Zijn ouders hebben toen alles voor hem gedaan, ze konden de ziekte niet langer loochenen: Michel was altijd sterk en struis, maar op het eind was hij een kop kleiner dan mij. Een schim van zichzelf. Op een dag liepen zijn longen vol water. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht, raakte in coma. Toen ik daar aankwam en een verpleegster vroeg wanneer mijn vriend zou bijkomen, kreeg ik als antwoord: 'Kind, wees niet naïef. Die komt nooit meer bij.' De ultieme koude douche."

"Kwaad? Rázend ben ik geweest. Alsof ik de 'rare' was, omdat ik ervoor koos om mijn vriend bij te staan. Zo vaak kreeg ik de mantra te horen dat ik 'nog zo jong' was, dat ik 'de toekomst open' had, dat ik mijn leven 'niet moest vergooien aan die jongen'... Akkoord, het is twintig jaar geleden en ik zal ongetwijfeld pech hebben gehad in mijn contacten met artsen en verpleegkundigen. Maar hoe dan ook vind ik dat de psychosociale opvang te eenzijdig op de patiënt is gericht en dat de directe omgeving te vaak en te lang in de kou blijft staan. Terwijl de partner, de ouders, de familie het éérste vangnet zijn voor de zieke. Die mensen verdienen meer aandacht: fijne opvang, correcte en degelijke antwoorden op hun vragen."

"Ik hoop als minister daaraan te kunnen meewerken. Ik wil ziekenhuizen aanzetten om kwaliteitsnormen te bepalen voor de opvang van patiënten en hun omgeving. Zo lijkt het me evident dat elke oncologische afdeling een kamer heeft voor rustige gesprekken van de patiënt en zijn dierbaren met de artsen - én met de verpleegkundigen. Want die verpleegkundigen moeten meer bij de psychosociale opvang worden ingeschakeld. Ze kiezen immers dit beroep omdat ze graag en goed met mensen omgaan. Ze willen hun begrip en medeleven investeren in de job, maar ze worden daar nog te vaak in beknot. Wat een verspilling van talent!"

"Als ik terugkijk op de levensepisode met Michel, zijn ziekte en zijn sterven, dan vind ik niet dat ik me toen heb 'opgeofferd'. Hoe onbehouwen de reacties soms waren, ik herinner me ook de mooie momenten die alle jongverliefden koesteren. Gelukkig kan ik daar ook over praten met mijn man en kinderen. Als ik foto's van toen bovenhaal, kan ik hen tonen: 'Kijk. Die man, dat is Michel.' Ze kennen hem."

Naar het verhalenoverzicht