LinksSitemapContact
U bent hier:

Maurits Coppieters: klaar voor een tweede leven na keelkanker

Keelkanker

Bij de meeste vormen van keelkanker wordt er enkel extern bestraald. Interne bestraling is meestal enkel mogelijk als het om zeer kleine letsels gaat (een kleine amandeltumor zoals bij Maurits Coppieters bijvoorbeeld) en als er geen uitzaaiingen in de klieren zijn.

Maurits Coppieters overleed in november 2005 aan de gevolgen van zijn keelkanker.

Al tientallen jaren lang staat Maurits Coppieters op de bres voor een democratisch, sociaal en groen Vlaanderen, voor de armen ver weg en de kansarmen dichtbij. Met een alerte geest en een zachte glimlach overleeft hij alle narigheid die een publieke loopbaan in petto heeft. Anderhalf jaar geleden botste hij op een érg vileine tegenstander: keelkanker. Vandaag sprankelt en borrelt het enthousiasme als vanouds in een herboren bijna-tachtiger: "Ik ben er weer. Klaar voor een tweede leven." En dan is het er opnieuw, dat glimlachje.

Tekst: Marc Peirs, uit Leven 6, april 2000

"Twee ongemakken hou ik over. Mijn speekselklieren zijn totaal en grondig vernield. Een gevolg van de bestraling. Tot aan het eind van mijn dagen heb ik geen speeksel meer. Ik zeul overal een flesje water met me mee. Ik behoor tot het gild der oudjes die al hun voedsel soppen in grote kommen vocht. Ik ben praktiserend katholiek en als ik ter communie ga, ben ik al weer thuis voor ik erin geslaagd ben de hostie door te slikken. Het tweede euvel zijn grillige, gestoorde smaakpapillen. Wat ik vandaag lust, daar gruwel ik volgende week van. Ik was een groot liefhebber van Duitse rijn- en moezelwijnen. Die smaken nu. (schudt het hoofd). Ik moet ze uitspuwen! Zodra een drankje meer dan vier procent alcohol bevat, kan ik het niet op. Met vanillepuddinkjes heb ik een heuse haat-liefdeverhouding: de ene week walg ik ervan, de andere week wil ik er een heel karton van op. Dat is de kleine prijs die ik moet betalen in ruil voor mijn leven. De artsen hadden die symptomen perfect voorspeld. Ik ben prima ingelicht, van bij het begin."

"Het begin, dat was de zomer van 1997. Ik was 77. Ik voelde me nu en dan duizelig en neigde naar links. Het voelde zelfs aan als vállen naar links. Tijdens een wandeling in Brugge zei mijn echtgenote: "Maurits, wat doe je, je trekt me in de goot!". De huisdokter liet me een neus-, keel- en oorspecialist opzoeken. Die keek in mijn keel en ik zag een bezorgde schaduw over zijn gezicht glijden. Voor mijn evenwichtsstoornis verwees hij me naar collega"s, maar mijn linkeramandel, die vond hij erg vervuild. Hij nam een biopsie. Het resultaat was uiterst slecht: "Zware keelkanker, maar waarschijnlijk nog te lokaliseren", zei de arts. Keelkanker? Ik, die nooit eerder iets ernstigs had? Ik zocht voortekenen die ik over het hoofd had gezien. Sinds 1995 had ik soms last van een kleverige keel. Meezingen op een feest of in de kerk ging dan uiterst moeilijk. Maar voor de rest?"

"De operatie heeft tien uur geduurd: vijf uur uitwendig, vijf uur inwendig. Achteraf heb ik in een medisch handboek nagekeken hoe en waar de artsen tijdens zo"n ingreep werken. Hoedje af, hoor. Dat is werkelijk slalommen tussen al die vitale organen die in je keel op een kluitje bijeen liggen. Amper vijf dagen nadien begon de inwendige bestraling. Je ligt aan een apparaat gekoppeld dat volautomatisch de straling regelt, in een kamer waar allerlei lampjes branden. Vergelijk het met een radio- of televisiestudio. Om het half uur floepen enkele rode lampjes aan en weerklinkt er een fluitsignaal: het teken dat de bestraling begint. Die duurt telkens enkele minuten. Zo heb ik 68 sessies gekregen, allemaal na elkaar. Tussen de bestralingen door mag je bezoek ontvangen, net als in een gewone ziekenkamer. Maar om het half uur vlucht je gezelschap en het verplegend personeel de kamer uit, terwijl jij wordt bestraald. Pijn doet het niet, maar het is ongelooflijk vermoeiend."

"Tijdens een bestralingssessie hoorde ik de arts een opdracht geven aan de assistent: "Alléén de amandel bestralen". Dat zinnetje gaf me een schok van vreugde, want het liet verstaan dat de lymfeklier niét aangetast was. Je moet weten dat kankers die onder de tong of ter hoogte van de tong zitten, makkelijker te genezen en minder agressief zijn dan wanneer de lymfeklier mee aangetast is of wanneer de kanker hoger dan de tong zit. Mijn kanker was dus goed lokaliseerbaar en niet uitgezaaid. Chemotherapie hoefde niet eens ter sprake te komen. Ik ben een van de gelukkigen."

"Nadien kreeg ik nog 33 sessies uitwendige bestraling. Na enkele weken wordt een rustpauze ingelast. Je krijgt er immers pijnlijke mondschimmel van. Met die onderbrekingen erbij geteld, was ik er op het eind van het jaar van verlost: in de namiddag van 30 december 1997 onderging ik mijn laatste stralingssessie. Tijd voor de lange recuperatieperiode. "Laat je niets wijsmaken", had de arts mij van meet af aan gezegd, "het herstel duurt zéér lang. Reken op anderhalf jaar voor je weer de oude bent." Om de drie maanden ga ik op controle. Ik krijg intensieve begeleiding van een kinesist-osteopaat. Zonder zijn behandeling zouden mijn schouders schuin hangen en zou ik een stijve nek hebben. Toen ik thuiskwam, kon ik mijn arm nauwelijks opheffen en kijk, (strekt de rechterarm) nu reik ik hem recht de lucht in. In het begin voelde een groot deel van mijn gezichtshuid als een lap leer. Ik kneep in mijn oor en voelde niks. Nu zijn de verhardingen weggewerkt en is de bloeddoorstroming weer in orde. Van bij het begin van de bestraling ben ik ook aanvullend homeopathisch behandeld om de neveneffecten te beperken. En dat is schitterend gelukt."

"Als ik één punt van kritiek heb op de behandelingswijze, dan is het dat ze de patiënt te vroeg naar huis sturen. Ik was hondsmisselijk. En helemaal niet in staat om een béétje te functioneren. Ga maar na: ik had in mijn ziekenhuisbed de korte inhoud van mijn jongste boek bedacht. Ik wou thuis dus beginnen te schrijven, maar. de letters dansten voor mijn ogen. Het heeft zes weken gekost voor ik een behoorlijke zin op papier kon zetten. Maar geleidelijk aan zijn die vermogens teruggekeerd. In drie maanden tijd heb ik "Het vuur in de verte" neergepend: 700 A4"tjes, met de balpen volgeschreven. Ik kan lezen, praten, wandelen, muziek beluisteren. En weet je wat het prachtige is? Ik beleef alles intenser dan voorheen."

"De ziekte heeft me sterk veranderd. Kom ik in een bibliotheek, dan zou ik de boeken wel willen strélen! Ik vind alles plots zo mooi! Toen we het ziekenhuis buiten stapten, leek het alsof ik voor de eerste keer een stráát zag: práchtig vond ik ze. Nochtans is de buurt rond het Universitair Ziekenhuis van Gent geen hof van Eden, geloof me vrij. Met de ziekte heeft mijn leven een extra dimensie gekregen: meer gevoeligheid, meer tederheid in elke menselijke omgang. Ik kan het niet meer lijden dat mensen elkaar het leven zuur maken. Ik weiger aan te nemen dat er onoverbrugbare onenigheden bestaan. Elk probleem tussen mensen is op te lossen. Als ik iets overhoud aan mijn worsteling met de dood, dan is het wel dié overtuiging."

Naar het verhalenoverzicht