LinksSitemapContact
U bent hier:

Marleen Temmerman: van dokter naar patiënt

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.

Marleen Temmerman. Foto Eric de Mildt Marleen Temmerman fluistert zich een weg doorheen ons gesprek. Ze is tijdelijk haar stem kwijt - de nasleep van een knobbeltje op de stembanden dat een kwaadaardig kankergezwel bleek. En dat terwijl praten de kern uitmaakt van haar leven: als hoofd verloskunde aan het UZ Gent, als lesgeefster aan de Gentse Universiteit, als senator voor SP.A. Maar vergis u niet: onder de fluisterstem schuilt nuchtere kracht.

 Tekst: Marc Peirs, uit Leven 42, april 2009

‘Al een half jaar lang had ik last van vlagen van heesheid. Niks om me zorgen over te maken, dacht ik. Gewoon een vermoeide stem. Ik praat namelijk véél: consultaties met patiënten in het UZ, lessen voor grote groepen studenten, vergaderingen in de Senaat…een stem zou van minder vermoeid worden. Gaat wel voorbij, dacht ik. Niet dus.’
‘In de zomer van 2008 blééf de heesheid. Ondanks het feit dat ik dan geen lessen hoefde te geven, wegens vakantie. Dat vond ik wel bizar en ik liet me onderzoeken. De arts vond een bolletje op mijn stembanden. Geen moment dacht ik dat het kwaadaardig kon zijn. Met een geslaagde operatie werd het bolletje weggehaald en ik dacht: klaar is Kees. Na de operatie ging ik meteen weer aan het werk. Maar enkele dagen later, tussen twee vergaderingen door, kreeg ik telefoon. Het bolletje bleek een kankergezwel.’

‘Ik heb nooit gerookt – behalve de occasionele  gelegenheidssigaret tijdens mijn studententijd. En op een glas wijn na, gebruik ik ook nauwelijks alcohol. Dus de oorzaak, daar hebben we het raden naar. Maar ik bleef vrij nuchter toen ik het nieuws vernam. Ik liet me niet van de sokken blazen maar overlegde meteen met de arts over de verdere behandeling: bestraling.’

‘Tijdens en kort na de behandeling had ik veel pijn bij het slikken. Ik moest overleven op sapjes en fruitpapjes, zoals een klein kind eigenlijk, ja (lacht). Eén slok champagne? Mijn keel stond in brand. Maar verder had ik niet veel last van de bestraling. Op mijn werk was er natuurlijk wel een enorme impact. Om je één voorbeeld te geven: ik had tijdens het najaar 42 publieke lezingen op de agenda; dat moest allemaal worden afgebeld.’

‘De bestraling was vooral preventief bedoeld. Mijn kanker was van het T1-type: de eerste fase. Ik zie in mijn eigen dokterspraktijk heel vaak hoe vrouwen die de diagnose ‘kanker’ moeten vernemen, meteen een heleboel vragen hebben over wat er te gebeuren staat, hoe hun toestand zal evolueren. Omdat ik zelf dokter ben, was voor mij één en ander meteen duidelijk; zo kan ik mijn genezingskansen - 98 procent - goed inschatten. Maar ik wil me niet te verregaand verdiepen in toekomstige risico’s en mogelijke behandelingen. Ik ga ervan uit dat mijn collega’s hier in het UZ heel goed weten waar ze mee bezig zijn en ik vertrouw op hun kunde.’

‘Eén week ben ik met ziekteverlof geweest. Blijven werken was en is voor mij ontzettend belangrijk. Dat kan omdat ik van alle kanten steun krijg. In het ziekenhuis blijf ik mijn taak vervullen als diensthoofd van de verloskunde, maar voor consultaties en dergelijke vallen collega’s waar nodig voor me in.

‘Blijven werken was en is voor mij ontzettend belangrijk. Dat kan omdat ik van alle kanten steun krijg.’

Ook in de Senaat maken de collega’s het mij zo comfortabel mogelijk. Ik verkreeg bijvoorbeeld de toelating dat een medewerker in mijn plaats het woord mag voeren en vragen stellen. En in de Senaatscommissie Buitenlandse Zaken, waarvan ik voorzitter ben, neemt de ondervoorzitter soms het woord over. Trouwens, van politieke collega’s van alle gezindten, behalve Vlaams Belang, heb ik kaartjes, bloemen en bemoedigende woorden gekregen. Op zo’n moment is collegialiteit belangrijker dan politieke meningsverschillen.’
‘Ook mijn man en zoon hebben me van meet af aan gesteund. Voor hen kwam, denk ik, de diagnose harder aan dan voor mij. Zij voelden zich machteloos en zaten met veel vragen, maar na een goed gesprek was dat voorbij. Wel heb ik gemerkt dat niet iedereen even correct reageert. Plots begon het te gonzen van de geruchten: ik zou eierstokkanker hebben, ik zou gecrasht zijn met burn-out…Te gek om los te lopen. Daarom heb ik een persbericht verspreid met uitleg over de ware toedracht. Dat was wel vervelend, want ik vind dat mijn ziekte een privézaak is.’

‘De switch maken van “dokter” naar “patiënt”, dát is een raar gevoel. Aan de ene kant is het een voordeel dat je als arts goed je eigen situatie kan evalueren. Aan de andere kant: je collega-dokters kunnen je ook moeilijk troosten of moed geven mocht het risico zeer groot zijn, of bij een terugval. Nooit ben ik depressief geweest en altijd heb ik beseft dat mijn genezingskans zeer groot is. Voor de rest ga ik zo nuchter als mogelijk met de ziekte om. En blijf ik actief, ook in de politiek.’

Naar het verhalenoverzicht