Karel Michiels is hersteld van een dubbele longkanker
Meer lezen
Schrijf ons!
Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
Karel Michiels verloor zijn vader en vier broers aan longkanker. Toen hij twee jaar geleden zelf die diagnose kreeg, was zijn reactie: ‘Het hoeft niet meer, ik laat me niet behandelen.’ De artsen, zijn vrouw en kinderen overtuigden hem om zich te laten opereren. De ingreep slaagde, Karel voelt zich goed nu. ‘Ik heb mijn persoonlijkheid voor een deel moeten veranderen. Ik was een doemdenker. Nu is “nooit wanhopen” mijn motto.’Tekst: Bart Van Moerkerke, foto's: An Nelissen, uit Leven 50, april 2011
Februari 2008. Karel Michiels is net 73 jaar geworden en hij kampt met een aanslepende hoest. Zijn familiale achtergrond baart hem zorgen. Zijn vader, een verstokt roker, stierf in 1965 aan longkanker. Hij was net geen 60 jaar. In 1990, 1993 en 2001 verloor Karel telkens een broer aan dezelfde ziekte. Intussen is in 2010 longkanker nog een vierde broer fataal geworden. ‘Ik ben diabeticus en ik besloot in februari 2008 mijn jaarlijkse grondige bloedonderzoek te vervroegen om het probleem van mijn hoest te laten bekijken. De huisarts stelde me gerust. Een jaar gebeurde er niets.’
Februari 2009. De hoest is terug. Heffen en zich bukken lukt niet zo goed meer. Bij het planten van uien moet Karel regelmatig even uitrusten op de bank. ‘Ik nam geen vrede met de uitleg van de huisarts die naar mijn ouderdom verwees, ik wilde foto’s laten nemen van mijn longen. De radioloog zag inderdaad iets aan mijn linkerlong. Na een scan en een punctie was het verdict van de specialist: kwaadaardige cellen. Ik vertaalde dat meteen als longkanker en zei dat ik me niet zou laten behandelen. Voor mij hoefde het niet meer. De dokter heeft toen op me ingepraat, er kon nog veel voor me gedaan worden. Ook mijn vrouw Annie en mijn zoon en dochter wilden dat ik me liet behandelen. In de daaropvolgende dagen ben ik tot het besef gekomen dat ik niet alleen voor mezelf leef. Ik heb vijf kleindochters, twee studeren al aan de universiteit en één aan de hogeschool. Hen nog zien afstuderen, daar heb ik me aan opgetrokken. En aan mijn geloof. Dat is een grote steun geweest.’
Mijn kleindochters nog zien afstuderen, daar heb ik me aan opgetrokken. En aan mijn geloof.
Niet enkel de linkerlong van Karel blijkt aangetast, in zijn rechterlong wordt bij een tweede punctie een andere kwaadaardige kanker gevonden. Een vermoeden van uitzaaiingen naar de lymfeklieren in de hals is gelukkig ongegrond. Het blijkt om een gewone ontsteking te gaan.
4 mei 2009. Karel wordt geopereerd aan zijn linkerlong. De kanker zit heel laag, hij kan verwijderd worden tot op het gezonde weefsel en Karel houdt toch nog voldoende longvolume over. ‘Ik herstelde heel vlot van de ingreep. Na tien dagen mocht ik het ziekenhuis verlaten. Ik heb heel veel gerust in de zetel in de tuin. En veel gelezen.’
10 juni 2009. Ook de operatie aan de rechterlong verloopt vlot. De kanker blijkt minder groot dan was gedacht. ‘De herstelperiode was wel veel zwaarder dan na de eerste operatie, maar het resultaat was zeer goed. Bij mijn definitieve ontslag zei de professor dat ik gerust mocht zijn. Maar met het oog op mijn familiale achtergrond raadde hij me toch chemotherapie aan, bij wijze van preventie. Ik was er niet echt ziek van, alleen een beetje landerig. Ik zag wat bleekjes en verloor wat haar, meer niet.’
28 december 2010. Karel is volledig hersteld van de twee operaties en de chemotherapie. De controles tot nu toe waren telkens negatief. Hij gaat om de zes maanden naar het ziekenhuis voor een longscan en ieder jaar heeft hij een grondig bloedonderzoek voor zijn diabetes. ‘De aanpak van mijn suikerziekte is wel veranderd sinds mijn operatie. Vroeger moest ik mezelf één keer per dag inspuiten met insuline, nu moet ik dat dagelijks vier keer doen om mijn bloedsuikergehalte onder controle te houden. Wat de oorzaak van die verandering is, weet ik niet. Verder heb ik gemakkelijker dan vroeger slijmen. Maar mijn longinhoud is zeer goed. Ik heb afgelopen zomer in de tuin gewerkt, gespit, zonder problemen. Als ik een cijfer moet plakken op mijn levenskwaliteit in vergelijking met de periode van voor mijn ziekte, kom ik toch aan 85 tot 90 procent. Ik ben natuurlijk ook 75 jaar, mijn levenskwaliteit daalt sowieso. Ik ben vooral heel blij dat ik de knop heb kunnen omdraaien met de hulp van mijn longarts en de prof die mij opereerde, mijn vrouw en mijn kinderen. “Nooit wanhopen” is nu mijn motto’. Ik ben ook weer vrijblijvend medewerker van de Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant waarvan ik dertig jaar bestuurslid was. Ik schrijf artikels over de streek en mijn geboorteplaats Weert, die me zeer na aan het hart ligt.’
Als ik een cijfer moet plakken op mijn levenskwaliteit in vergelijking met de periode van voor mijn ziekte, kom ik toch aan 85 tot 90 procent.De voorgeschiedenis. In 1978 stopte Karel met roken. Zijn laatste sigaar rookte hij tijdens een opvoering van de plaatselijke toneelvereniging. Ongezond werk heeft hij nooit gedaan: Karel was meester plaatwerker tot hij op zijn 52ste op brugpensioen ging. Van een zittend bestaan kan niemand hem verdenken. Acht keer stapte hij de Bornemse Dodentocht, twaalf keer was hij erbij bij de 50 kilometer van Kluisbergen, hij wandelde de 85 kilometer van het Waasland, de 100 kilometer van Torhout. Begin jaren 1990 ruilde hij de wandelschoenen voor de fiets. Samen met zijn vrouw Annie legde hij vele duizenden kilometers af, in heel Vlaanderen. Tot Annie drie jaar geleden werd aangereden door een auto. Ze herstelde slechts zeer langzaam van het zware ongeval en heeft permanente ondersteuning nodig, van Karel. Die sindsdien ook het fietsen heeft opgegeven.
‘Dat ik toch longkanker kreeg, heeft wellicht met erfelijke belasting te maken, ik kreeg ook twee verschillende longkankers. De hypothese van de erfelijke belasting is niet bewezen want ik heb bewust nooit genetisch onderzoek laten doen. Stel dat daaruit was gebleken dat ik een grote kans had om longkanker te krijgen, dan had ik al die tijd moeten leven met een beest aan mijn zijde. Dat heb ik nooit gewild. Maar ik ben er wel van overtuigd dat je alert moet zijn. Je moet je laten onderzoeken zodra je iets voelt of vermoedt.’
Kanker kan erfelijk bepaald zijn. Families waarin dat het geval is, zijn te herkennen aan het vaak voorkomen van een bepaald type kanker en aan de jonge leeftijd op het tijdstip van de kankerdiagnose. Genetisch onderzoek kan die erfelijkheid bewijzen door een erfelijke fout in de genen aan te tonen.
Erfelijkheid speelt een belangrijke rol bij ongeveer 10% van de patiënten, vooral bij borst- en eierstokkanker en darm- en baarmoederkanker. Voor de meeste erfelijke kankers kan op dit moment een genetisch onderzoek gedaan worden, voor andere (zoals long- en prostaatkanker) is de genetische oorzaak echter nog onbekend.
Als kanker in de familie vaak of op jonge leeftijd voorkomt (bijvoorbeeld drie patiënten aan één kant van de familie met dezelfde vorm van kanker of kanker op zeer jonge leeftijd) is een consultatie in een genetisch centrum aangewezen om het risico op kanker bij naaste familieleden in te schatten en eventuele geregelde onderzoeken te laten doen. Vraag uw behandelende oncoloog om een doorverwijzing naar een genetisch centrum.
Lees meer: 'Hoe verloopt genetisch onderzoek?'
Naar het verhalenoverzicht






