LinksSitemapContact
U bent hier:

Kanker in het gezin. Marleen Van den Eeckhout verloor haar man aan kanker

"Mijn hele leven was afgestemd op Johan. Op het ogenblik zelf besefte ik niet hoe belastend dat was, ik leefde als het ware op automatische piloot. Pas toen hij er niet meer was, viel ik in een enorm zwart gat. Ik had 's avonds niets meer te doen en toch was ik bekaf." Aan het woord is Marleen Van den Eeckhout. Ze verloor eind juli vorig jaar haar man na een aanslepend gevecht tegen kanker.

Tekst: Bart Van Moerkerke, uit Leven 6, juli 2000

Marleen: "Het laatste jaar van zijn leven ging Johan niet meer werken. Als hij niet in behandeling was in het ziekenhuis, verbleef hij thuis. In het begin kon hij zelf nog behoorlijk uit de voeten, maar de laatste vier maanden kreeg hij voortdurend zuurstof toegediend. Hij was steeds meer aangewezen op mijn zorg en steun."
"Mijn hele leven stond in functie van hem. Ik rende naar de apotheker, ik holde tussen de winkelrekken door om zo snel mogelijk weer thuis te zijn. Ik sliep in waaktoestand: Johan hoefde 's nachts maar één keer te roepen en ik stond al bij hem. 's Morgens, voor ik naar mijn werk vertrok, was ik een uur bezig zijn maaltijden klaar te maken. 's Avonds zat ik nooit voor negen uur op de sofa. En ondertussen verwaarloos je jezelf. Je eet niet of op onregelmatige tijdstippen, je slaapt te weinig, je neemt geen tijd voor jezelf."
"Nu vraag ik me vaak af hoe ik het gekund heb, maar op het moment zelf stond ik daar niet bij stil. Ik heb wel veel kracht uit mijn geloof geput. Ik stelde ook altijd een doel voorop: samen met Johan Kerstmis vieren, dan nieuwjaar, onze huwelijksverjaardag in april, zijn verjaardag in juli, enzovoort."

Verwachten mensen niet te vaak dat de partner zich sterk houdt, en zijn angsten, twijfels en eigen problemen voor zich houdt?
Marleen: "Ik wilde tegenover Johan in ieder geval absoluut niet laten blijken dat ik het moeilijk had. Hij had enorm veel moed en wilskracht. Alles was ook altijd goed, ik heb hem nooit horen klagen. Net zoals ik hoopte dat híj zich kon optrekken aan mijn instelling, had ík ook veel aan zijn positieve houding.
Het had geen zin dat ik naast hem ging zitten met een zakdoek in de hand. In de vier jaar en drie maanden dat hij ziek is geweest, heeft hij mij maar één keer zien wenen. Op Kerstdag 1998 was dat, toen hij zei dat het zijn laatste kerst zou zijn. Toen kon ik mij niet bedwingen. Ik nam ook wel eens kalmeringsmiddelen als ik het té kwaad kreeg."

Was u volledig op de hoogte van de ernst van Johans toestand?
Marleen: "We kenden alletwee de diagnose: Johan had een kwaadaardig gezwel en er waren uitzaaiingen. Ik ging telkens mee op consultatie. Ik wist dat de behandelingen niet het beste resultaat hadden en besefte dat hij aan de ziekte zou sterven. We waren daar nuchter in: de realiteit onder ogen zien en vechten, iets anders zat er niet op."
"Maar ik heb de dokters nooit gevraagd naar de evolutie van de ziekte. Ik wilde hun prognose niet kennen. Enerzijds omdat ik bang was voor het antwoord, anderzijds omdat ik ervan uitging dat ik dan niets hoefde te verbergen voor hem. Als je alles weet, zorgt dat voor een bijkomende last. Dan wordt het nog moeilijker om je sterk te houden en positief ingesteld te zijn. Ik ging ervan uit dat ik er niets aan had te weten dat het maar enkele maanden meer zou duren. Ik denk dat je dan onvermijdelijk begint af te tellen."

Konden jullie samen praten over zijn ziekte?
Marleen: "Johan sprak er nooit over. Ik accepteerde dat, want je kan niemand verplichten om te praten. Hij kon heel goed verbergen hoe hij zich werkelijk voelde. Hij heeft mij al die tijd willen sparen, zo heb ik achteraf kunnen opmaken uit gesprekken met de thuisverpleegster en met zijn collega's. In moeilijke momenten haalde ik z"n broer er wel eens bij. Die is arts en woont in het huis vlak naast het onze. Tegen hem kon Johan zijn gal uitspuwen en dan was het weer voor een paar weken voorbij."
"Zelf vond ik erover praten ook moeilijk: het heeft twee jaar geduurd vooraleer ik het woord kanker over mijn lippen kreeg. Als iemand vroeg hoe het was met mijn man, antwoordde ik altijd dat hij chemotherapie kreeg. De mensen moesten dan zelf maar afleiden wat er aan de hand was."

Maar u had wel andere mensen aan wie u alles kwijt kon?
Marleen: "Ik had en heb enorm veel steun aan mijn schoonbroer en schoonzus en aan de moeder van Johan. Die wonen hier vlakbij en bij hen kan ik altijd terecht. Het is absoluut noodzakelijk om alles eens te kunnen zeggen, zowel tijdens het ziekteproces als achteraf om het verlies te leren aanvaarden."
"Ook mijn werk is zeer belangrijk geweest. Ik ben de hele periode van Johans ziekte blijven werken. Ik kon dan eens alles van me afzetten en me op iets anders concentreren. Ik kon ook terugvallen op de steun van een collega die in de loop van die vier jaar een heel goeie vriendin geworden is. Ik liet mensen die met mij wilden praten, die wilden weten hoe het met mij ging, ook altijd naar mijn werk bellen. Ik wilde Johan niet belasten met míjn angsten en problemen."

U heeft Johan tot het laatste moment thuis verzorgd. Maakte dat de leegte die hij achterliet niet nog groter?
Marleen: "Mijn hele leven was in dat laatste jaar steeds meer op hem afgestemd. Het deed dan ook heel veel pijn toen hij stierf. Vlak na zijn dood was ik vooral moe, werkelijk bekaf. Toch ben ik heel snel weer gaan werken om niet voortdurend geconfronteerd te worden met de leegte thuis. Maar het besef dat hij er niet meer was, is eigenlijk pas later gekomen. Het was alsof hij in het ziekenhuis was voor een behandeling en elk moment weer thuis zou zijn. Op 1 december, ruim vier maanden later, ben ik ingestort. Ik heb drie dagen onophoudelijk geweend. Mijn schoonzus en schoonbroer hebben me toen schitterend opgevangen. En sindsdien ben ik begonnen Johans dood te aanvaarden. Ik voel me stilaan weer sterker worden."

Naar het verhalenoverzicht