LinksSitemapContact
U bent hier:

Kanker in het gezin. En hoe gaat het met broer en zus?

Broers en zussen van kinderen met kanker hebben het soms hard te verduren. Ze voelen zich vaak een beetje in de steek gelaten. Jaloers ook, want alle aandacht van de ouders en andere mensen uit hun omgeving gaat immers naar dat ene zorgenkind. En die jaloezie geeft dan weer aanleiding tot schuldgevoelens. Een gesprek met Jan, Griet en Leen.

Tekst: Kathleen Vereecken, uit Leven 6, april 2000

Een vijftal jaar geleden zond de VRT - toen nog BRTN - een documentaire uit over de 13-jarige Baaike Belis, die met neuroblastoom geconfronteerd werd, een bijzonder agressieve vorm van kanker die ontstaat in het zenuwstelsel. Het werd een zeer aangrijpend portret van een warm gezin, waarin alle gezinsleden hun angsten en andere gevoelens over Baaikes ziekte konden ventileren. Vandaag gaat het heel goed met de ondertussen 19-jarige Baaike. De herinneringen aan pijnlijke en moeilijke jaren wil ze echter liever laten voor wat ze zijn. Ze wil niet op de foto, en ze wil liever niet geïnterviewd worden. Het verleden is het verleden, en ze houdt haar blik nu liever op de toekomst gericht. Maar dat haar broer Jan (24) en haar zussen Griet (23) en Leen (22) ons vertellen hoe zij het hele gebeuren beleefd hebben, daar heeft ze geen bezwaar tegen.

Elkaar opvangen
Voor het interview schuiven Jan, Griet en Leen dicht tegen elkaar aan op de sofa. Handig, omdat ze op die manier allemaal bij de microfoon kunnen, maar al gauw blijkt het een mooi symbool voor de manier waarop ze in dit gezin met elkaar omgaan. De strijdkreet "Eén voor allen, allen voor één," dragen ze hier hoog in het vaandel.
Ze waren adolescenten toen Baaike ziek werd. Maar ook al was hun inlevingsvermogen en begrip voldoende groot, toch hebben ze het af en toe behoorlijk moeilijk gehad. Dat er in huis een beetje meer van hen verwacht werd dan anders, daar hebben ze nooit een punt van gemaakt. Het leek hun vanzelfsprekend dat ze een extra inspanning moesten leveren om "vake en mama", die om de haverklap naar het ziekenhuis moesten, te ontlasten.
Leen: "We waren allemaal heel bezorgd en we vonden het niet meer dan normaal dat alle aandacht in die periode naar Baaike ging, maar af en toe hadden we er toch behoefte aan ook eens ons hart te luchten."
Jan: "Niet alleen ons hart luchten; soms maak je gewoon dingen mee die voor jou op dat moment zeer belangrijk zijn en waarover je graag wil vertellen. Bij mij was dat bijvoorbeeld over de show die we met de laatstejaars van het college van Lokeren hadden opgezet, over wat ik zou gaan studeren, over mijn toelatingsexamen burgerlijk ingenieur."
Leen: "Gelukkig konden we elkaar over het algemeen goed opvangen."
Griet: "Ja, op dat punt hebben we veel geluk gehad: we stonden er nooit echt alleen voor."

Vertrouwen
Jan, Griet en Leen kozen ervoor niet al te veel mensen in vertrouwen te nemen over wat er gaande was.
Griet: "Ik wilde absoluut vermijden dat iedereen op school wist dat Baaike kanker had. Mensen weten vaak niet hoe ze moeten reageren: ofwel besteden ze overdreven veel aandacht aan je, ofwel vermijden ze je angstvallig. En daar kan ik niet goed mee om."
Leen: "We hadden vooral behoefte aan een normaal leven. Thuis was alles al zo vreemd, zo anders dan anders. We namen natuurlijk wel een aantal goede vrienden in vertrouwen, maar daar bleef het bij."
Jan: "Tot we hoorden dat een leerkracht in zijn klas vertelde dat Baaike nog maar enkele weken te leven had. Ik ben toen naar hem toe gestapt om dat misverstand recht te zetten. Je ziet: iemand vertelt iets, en voor je het weet wordt het verhaal aan alle kanten extra aangedikt. Mensen horen het woord "kanker" en denken meteen aan een begrafenis."

Onbegrip
Naast de angst, de bezorgdheid en de behoefte aan een "normaal" leven, was er ook nogal wat woede. Machteloze woede soms om het onbegrip van de buitenwereld, maar ook om bepaalde goedbedoelde vragen of reacties van anderen.
Leen: "Weet je wat mij soms raakte? Zoveel mensen vroegen ons "En hoe is het nu met Baaike?" En meteen volgde dan de reactie: "Goh, dat moet toch erg zijn voor je ouders!" Maar weinig mensen dachten eraan eens te vragen hoe het met óns ging. Dat deed soms pijn."
Jan: "Toen ik in de tv-reportage iets zei in de aard van "wij zijn er ook nog", heb ik daar veel negatieve reacties op gekregen. Alsof ik een grote egoïst was. Eigenlijk begrijpen mensen het pas écht als ze iets gelijkaardigs meemaken."
Leen: "Blijft natuurlijk het feit dat we Baaike heel graag zien, en dat we onszelf gráág een tijdlang opzij schoven voor haar."
Jan: "Het past een beetje in de geest van dit gezin. We hebben het altijd zeer goed kunnen vinden met elkaar. Nu nog, hé: als een van ons in de problemen komt, zullen de andere vijf meteen alles doen om te helpen. Eén voor allen, allen voor één."
Leen: "Dat is nu misschien nog sterker geworden."

Een normaal gezin
Nu Baaike al een tijdlang genezen verklaard is, vindt de familie Belis het de hoogste tijd om het verleden te laten rusten. Alles gaat weer zijn gewone gangetje, en dat benadrukken Jan, Griet en Leen sterk.
Leen: "Baaikes ziekte is een afgesloten hoofdstuk. Eigenlijk praten we er nauwelijks nog over."
Jan: "Wij zijn een normaal gezin, en dat is maar goed ook. Als mensen me nu vragen: "Hoe is het met je zus?", dan reageer ik met: "Welke zus bedoel je?" Ah ja, ik heb er drie!"
Leen (na een stilte): "Het is goed dat ze nog leeft. Hé? (terwijl ze Jan lachend aanstoot) Ze mag er best wezen, niet?" Driestemmig gemonkel.

Naar het verhalenoverzicht