LinksSitemapContact
U bent hier:

Jan Mertens, tien jaar na de diagnose kanker

Bio

Jan Mertens (°1965) woont in Leuven en werkt als beleidsmedewerker op het nationaal secretariaat van Groen! in Brussel. Zijn blogs:

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.

Jan Mertens. Foto Eric de Mildt In het najaar van 1999 werd Jan Mertens (nu 45) behandeld voor darmkanker. Jan genas, maar verloor de voorbije tien jaar zijn vader, dierbare collega’s en goede vrienden aan de ziekte die hij zelf heeft overwonnen. Hoe kanker achter je laten als de ziekte je ongevraagd blijft omringen? Een gesprek over vasthouden, loslaten, kwaadheid en de heilzame kracht van lachen en schrijven.

Tekst: Frederika Hostens, foto: Eric de Mildt, uit Leven 46, april 2010

Eind augustus 1999 kreeg Jan Mertens te horen dat hij dikkedarmkanker had, een tumor in de endeldarm. Omdat de tumor al gedeeltelijk door de darmwand was gegroeid, was er een voorbehandeling nodig, een combinatie van radio- en chemotherapie. Begin december van hetzelfde jaar is Jan geopereerd. De dokters namen een stuk darm weg en plaatsten een tijdelijke stoma. In februari 2000 haalden ze die weer weg. Hoe ervaart hij de ziekte nu? Als iets dat hij definitief overwonnen heeft of iets dat dreigend om de hoek loert? Jan Mertens: ‘De herinnering eraan is soms heel levendig, soms heel ver weg. Ik kan op een onbewaakt moment overvallen worden door iets dat me aan die periode herinnert. Een geur bijvoorbeeld. Of een geluid. Of het litteken op mijn buik. Dan krijg ik een schok en komen alle beelden terug. Soms zijn ze ver weg. Dan moet ik nadenken, ah ja, ik ben tien jaar geleden ziek geweest. Het verwart me, want ik ben een beetje bang om die herinnering te verliezen.’

Wilt u dan niet dat het voorbij is?
Jan Mertens: ‘Eigenlijk niet, neen. Ik wil er op mijn manier mee bezig blijven. Ik ben blij dat ik het leven niet verloren heb. Daarom wil ik het goed vasthouden en er voorzichtig mee omgaan. Ik heb ongelofelijk veel geluk gehad dat ik er goed ben doorgekomen en ben daar dankbaar voor. Ik wil ook niet vergeten dat er zoveel mensen mij geholpen hebben. Ik heb geen kinderen en ben niet getrouwd. Toen ik ziek was, heb ik zeer veel hulp en steun gekregen van mijn ouders, mijn zus, lieve vrienden en vriendinnen, bezorgde collega’s, mijn huisarts, de mensen in het ziekenhuis. Dankzij hen ben ik er nog, zo voel ik het aan en zo probeer ik het ook aan hen duidelijk te maken.’

Heeft u schrik van de controles?
‘Ik ga er altijd redelijk fluitend naartoe, tot ik in de wachtzaal zit. Dan komt alles weer terug. Maar schrik heb ik niet. ‘Oké, dat hebben we weer goed gedaan’, denk ik als ik buitenkom. Nadien koop ik een cadeautje voor mezelf. Muziek doet het meestal goed, dan kan ik er nadien ook gemakkelijk naar teruggrijpen en me herinneren dat die muziek bij die dag hoorde.’

De anderen zijn het moeilijkst, zij die het niet gehaald hebben. Ze wegen zwaarder, terwijl je zelf almaar lichter wordt.
(uit de blog van Jan, 23 augustus 2009)
Was de controle na vijf jaar anders dan de andere?
‘Ja, maar dan in negatieve zin. Ik was veel zenuwachtiger dan ik had verwacht. De dokter had het maar over klinische verhalen en statistieken. Zodra ik buiten was, ben ik onbedaarlijk beginnen te huilen. Waarom had die dokter niet gezegd dat ik genezen was? Was hij misschien bang dat ik hem een proces zou aandoen als ik later toch zou hervallen? Er zat me ook nog iets anders dwars. Ik had me erop voorbereid om als de vijf jaar voorbij waren, het aan mijn huisarts te vertellen. Ik wou hem uitgebreid bedanken voor al wat hij voor mij had gedaan toen ik ziek was, maar kon dat niet meer. Hij is gestorven net voor het zover was. Zelf uit het leven gestapt. Hij had mij bij het leven gehouden en is zelf niet in het leven gebleven. Dat was en is nog altijd heel verwarrend voor mij.’

Meerdere mensen die u dierbaar zijn, hebben intussen kanker gekregen, ook uw vader. Hoe heeft u zijn ziekte beleefd?
‘Ik denk: de mensen die me lief zijn, mogen het niet krijgen, want ik heb het al gehad. Maar natuurlijk werkt het zo niet. Het viel me enorm zwaar dat ook mijn vader getroffen werd door kanker. Keelkanker. Dat komt doordat hij een groot stuk van zijn leven heeft gerookt. Dus had het in principe vermeden kunnen worden. Had hij niet zo lang gewacht om zich te laten behandelen, dan was er een redelijke kans geweest dat hij nu nog zou leven. Maar hij heeft tijdens zijn behandeling ook veel pech gehad. Hij is, verzwakt door de kanker, overleden aan een infectie die hij heeft opgelopen tijdens zijn behandeling. Wat ik heel frustrerend vind, is dat hij na jarenlang hard werken amper twee jaar met pensioen was toen hij ziek werd. Ik had hem graag nog minstens tien jaar meer gegund.’

Op uw vaders afscheidsviering vertelde u hoe kwaad u was. Voelt u die kwaadheid nog altijd?
‘Telkens iemand in mijn omgeving kanker krijgt, ben ik ontzettend kwaad op die kloteziekte. Die kwaadheid gaat niet over. Ze neemt ook verschillende vormen aan. De dokters kunnen geen oorzaak aanwijzen waarom ik darmkanker heb gekregen. Ik heb gewoon pech gehad en hoef daar verder niets achter te zoeken. Er zijn ook mensen die kanker krijgen door hun eigen gedrag. Mensen die mij dierbaar zijn, zien roken, vind ik om die reden heel moeilijk. En dan heb je mensen die ziek worden door een heel aanwijsbare reden die buiten hen ligt en die te maken heeft met maatschappelijke onwil om er iets aan te veranderen. Willy Vanderstappen, een goede vriend en collega, kreeg door asbest longvlieskanker, een ziekte die tientallen jaren in zijn lijf zat, plots actief werd en hem op 58-jarige leeftijd alleen een doodvonnis kon geven. Dat is vreselijk.’

Het is tien jaar. Allemaal gekregen tijd. Elke dag een geschenk. Waarom voel ik me dan zo oud nu? Terwijl ik terugfiets, zie ik ze allemaal lopen, daar op het voetpad, zij die geen geschenk kregen. Ze zeggen me dat ik blij moet zijn. Ze hebben gelijk.
(uit de blog van Jan, 11 maart 2009)
U helpt mee de jaarlijkse Gezinsfietstocht Willy Vanderstappen organiseren. Is het de kwaadheid die u drijft?
‘Willy fietste graag en maakte graag plezier. Alle mensen die Willy gekend hebben, zijn kwaad. Door samen te fietsen en plezier te maken, kunnen we misschien iets doen met die kwaadheid die we toch niet begrijpen, waar we toch niets mee kunnen doen. We delen samen herinneringen. We delen ook een maatschappelijke verontwaardiging omdat zoiets kan gebeuren. En we houden het asbestthema op de agenda.’

Verhindert uw kwaadheid u niet om te blijven genieten van het leven?
‘Ik leer om gevoelens niet te veel of te lang vast te houden. Als ik mijn kwaadheid te veel zou koesteren, zou het gevolg kunnen zijn dat als iemand in mijn vriendenkring ziek wordt, ik het niet aankan om contact te blijven houden en wegblijf. Dat wil ik niet.’

U houdt een blog bij waarop u geregeld over kanker schrijft. Waarom doet u dat?
‘Ik heb een heel sterke behoefte aan woorden. Ik moet schrijven. Ik moet lezen. Op mijn blog is kanker een categorie naast andere categorieën. Het is een stuk van mijn leven, zoals literatuur of ecologie dat ook is. De stukken over kanker zitten tussen de andere en zo wil ik het ook. Ik zou trouwens ook nooit een blog willen met alleen maar politieke stukken of alleen maar boekbesprekingen. Dat zou mij beknellen. Het geeft me meer ruimte als ik over verschillende onderwerpen kan schrijven.’

Welke betekenis geeft u aan dat ‘schrijven over kanker’?
‘Schrijven verplicht mij om na te denken. Het is een manier om me bewust te worden van wat er allemaal gebeurt. Sommige emoties, bijvoorbeeld angst of twijfel, merk je pas als je erover schrijft. Het verplicht me om dingen te zeggen, tegen mezelf in de eerste plaats. Voor mij is dat heilzaam. Lachen is dat trouwens ook. Toen ik in het ziekenhuis lag, heb ik ondanks alle ellende veel gelachen. Ik herinner me nog hoe ik na de operatie wakker werd op de recovery. Twee vriendinnen stonden naast mijn bed met zo’n wit kapje op. “Aha, daar zijn Yvonne en Yvette”, zei ik. Een lachsalvo volgde. Toen mijn vrienden enkele dagen later op bezoek kwamen, zei ik “mannen, we mogen niet te veel lachen, want dat doet pijn aan mijn buik”. Na een kwartier waren we al aan het gieren. Ik heb daarna veel buikpijn gehad, maar dat lachen had me toch zo’n goed gedaan.’

Naar het verhalenoverzicht