Ireen Houben over de dood van haar man: 'Soms zaten we uren tegen elkaar aan te janken'
Bij pianist Thieu Heijltjes werd in december 1998 de ziekte van Waldenstrøm vastgesteld, een zeldzame bloedkanker. Hij stierf op 16 oktober 2000. Zijn weduwe, Ireen Houben, jarenlang de warmste stem van Radio 2 Omroep Limburg, vertelt het verhaal van zijn en dus ook haar ziekte.Tekst: Hilde Sabbe, uit Leven 18, april 2003. Een uitgebreidere versie van dit artikel verscheen in september 2001 in De Morgen.
"Zodra je het vonnis hoort, denk je 'nu moeten we vechten, wij zullen ons niet laten doen'. Je leeft alsof elke dag de laatste is. Ik liet alles vallen waar ik mee bezig was. Ik wilde thuis zijn, bij hem. Ik ben nog altijd blij dat ik er altijd was als hij me nodig had. Ik had die jaren ook niet willen missen. Voordien leefden wij zoals de meeste paren waarschijnlijk leven: je bent in de eerste plaats met jezelf bezig. Door de ziekte kregen wij het gevoel dat wij met ons tweeën tegenover een monster stonden. De buitenwereld viel weg, we wilden vooral veel samen zijn."
"De laatste weken van zijn leven hebben we vaak over de dood gepraat. Ik zie ons nog op het ziekenhuisterras naar de sterren zitten kijken, en Thieu die zei: 'Binnenkort ben ik daar ook'. We hebben ook veel gezwegen en gehuild. Soms zaten we uren tegen elkaar aan te janken omdat we het zo erg vonden. Ik ben niet met vragen achtergebleven en evenmin met schuldgevoelens, we hebben het echt samen gedaan."
Chemo
"De eerste periode volstond een lage dosis, een tablet per dag. Thieu werd er moe en een beetje misselijk van, maar het was nog leefbaar. Maar toen de ziekte agressiever werd, was ook een zwaardere therapie nodig. Ik ben nog altijd getraumatiseerd door het lijden van dat laatste jaar: hoe je aftakelt en op de duur alleen nog maar een schimmetje bent van jezelf. Thieu had zoiets van: als ik dit maar dapper doorsta, krijg ik mijn beloning. Niks heeft hij gekregen."
"Hij onderging een zeer zware kuur, waardoor zijn slijmvliezen werden aangetast. Zijn slokdarm raakte ontstoken, hij kon niet meer eten. Van de zesde tot de achttiende dag had hij onafgebroken last van afschuwelijke duizelingen en hartritmestoornissen. Een klein boterhammetje eten duurde een half uur, tandenpoetsen was een onmogelijke karwei. Hij kon alleen tot in de stoel sukkelen, zitten en wachten. Zo erg, je kunt je dat niet voorstellen."
"Vanaf de eerste chemo kreeg Thieu ook pijnlijk gevoelloze zenuwuiteinden. Hij kon geen toets meer aanraken. Het was of ze zijn handen hadden afgehakt. Soms ging hij hoopvol voor de piano zitten, maar het ging gewoon niet. We werden in het ziekenhuis goed opgevangen, maar voor al die vreselijke nevenwerkingen was er geen aandacht. Het enige wat telde, waren de bloeduitslagen. Sommige artsen zijn volkomen in beslag genomen door het gevecht dat ze leveren, zij denken alleen in termen van resultaten. Hoeveel je intussen afziet, is voor hen niet echt van belang."
Laatste weken
"Na die slopende maanden chemotherapie kregen we in september 2000 goed nieuws: alles was prima, we mochten op vakantie. We begonnen de auto te laden voor een lang verblijf in de Provence. Maar Thieu klaagde over pijn in de benen en een paar dagen later kon hij niet meer bewegen. We zijn niet op reis vertrokken, maar naar het ziekenhuis. De ziekte zat in het ruggenmerg en is vandaar als een orkaan uitgebroken. Wat ze daarna nog gedaan hebben, vond ik te ver gaan. Nog meer chemo, ook al wisten ze dat de strijd verloren was toen het ruggenmerg aangetast bleek. Thieu heeft nog twee dagen in absolute vertwijfeling doorgebracht. De ene dag zei hij: 'Regel alles met de huisarts, ik kom thuis sterven' en 's anderdaags zei hij: 'ik ga nog eens voor de chemo'."
"Ik vind dat de dokters zelf eerder de grens hadden moeten trekken, maar ze konden niet opgeven. Ik begrijp wel dat ze hem wilden redden, maar toen bleek dat er echt niets meer te genezen viel, hadden zij moeten beslissen en niet ons de keuze laten. Toen Thieu onder beademing op intensieve zorgen lag en de meesten afscheid hadden genomen, vroeg de verpleegster me: 'Moeten we het volgende infuus nog vervangen?' Toen vroeg ik me echt af of ik dat moest beslissen."
"Ik heb nochtans de grootste bewondering voor de mensen op intensive care. Die verdienen een standbeeld. Op een avond, toen Thieu al onder narcose was gebracht en zelf niet meer kon gaan verliggen, had de verpleegster hem ingestopt als een ziek kind, koesterend en heel liefdevol: met de benen wat opgetrokken, een kussentje eronder en een warme doek om de schouders. Ik stond te janken als een kind. 'Hoe weet je eigenlijk dat hij graag zo zou liggen?' vroeg ik. 'Ik denk alleen maar: hoe zou ik hier willen liggen als het mij overkwam', was haar antwoord. Als je daar negentien jaar werkt en je doet dat nog altijd met hart en ziel, daar heb ik bewondering voor."
"Iedereen van het medisch personeel heeft mij trouwens goed opgevangen. Ik ben 's avonds nooit naar huis moeten gaan zonder dat iemand zei: 'kom nog even bij mij zitten, wil je een kop soep?' Ook de specialist maakte tijd om met mij te praten. Toen Thieu gestorven was, zei hij dat ik altijd mocht langskomen als ik behoefte had aan een gesprek. Dat heb ik enkele weken later ook gedaan. We hebben drie kwartier gepraat en toen heeft ook hij zijn gevoel van machteloosheid en verbijstering geuit. Hij had niet kunnen voorzien dat het zo zou lopen."
Na zijn dood
"Het dringt maar heel langzaam tot je door, dat iemand echt dood is. De eerste tijd was ik almaar bezig met het wassen en strijken van pyjama's en handdoeken die uit het ziekenhuis waren teruggekomen. Ik kon die niet opbergen, legde ze van de ene stapel op de andere. Pas maanden later begint het te dagen: het is echt, en vooral: het is voor altijd. Dat is niet te overzien, nu nog altijd niet. Je weet het wel, maar je hart kan het niet aanvaarden."
"Troost vind ik alleen in muziek. Schrijven helpt ook heel goed, gewoon een soort dagboek bijhouden, en honderd keer hetzelfde vertellen, tegen iemand die luistert en je gewoon laat praten. Vroeger dacht ik ook altijd dat je iemand die verdriet heeft op andere gedachten moet brengen, maar nu weet ik dat dat het laatste is wat je wilt, verstrooid worden. Je wilt alleen maar met die ene bezig zijn. Wat ik helemaal niet kan horen, is: 'Je moet hem loslaten, anders kan hij zelf ook geen rust vinden'. Dan denk ik: ik wil hem helemaal niet loslaten, ik wil hem vasthouden, godverdomme!"






