Hoofd-halskankers
Meer lezen
Verwante informatie
- Praten met lotgenoten? Neem een kijkje op het forum voor mensen met kanker
- Individuele begeleiding voor mensen met kanker
- Lotgenotengroepen voor larynxpatiënten
- Gedrukte folders bestellen? Al het materiaal van de VLK is te lezen, af te drukken of te bestellen via de pagina Publicaties
- Activiteiten voor mensen met kanker
Patiënten vertellen
- Een dag uit het leven van Paul Graf, voor een baxter en een doktersonderzoek in het ziekenhuis
- Leven zonder stembanden krijgt optimisme van Michel De Coninck niet stuk
- Koen Crucke en Jan Gheysens over Jans gevecht met keelkanker
- Herman De Croo na stembandkanker
- Marleen Temmerman: van dokter naar patiënt
- Herman Janssens over strottenhoofdkanker
- Jaak Nouwen, 13 jaar na keelkanker
- Bart Herman over keelkanker
- Georges Dierickx en Jef Meerschaert van de lotgenotengroep voor larynxpatiënten
- Luc Appeltans heeft na stembandkanker leren spreken met zijn slokdarm
We gebruiken de termen 'hoofd- en halskanker', 'hoofd-halskanker' of 'kanker van het neus-, keel- en oorgebied' (NKO-kanker) voor tumoren die ontstaan in de bovenste lucht- en spijswegen: de mondholte (de lippen, de tong, het tandvlees, het wangslijmvlies, de mondbodem of het gehemelte), de neus (de huid van de neusgaten, de binnenkant van de neus, de neusholte of de sinussen), de keelholte, het slokdarmhoofd (de farynx, het bovenste gedeelte van het spijsverteringskanaal gelegen tussen mondholte en slokdarm) of het strottenhoofd (de larynx) met de stembanden. Hoofd- en halskankers kunnen ook ontstaan in de speekselklieren in het bovenste deel van de nek.
Tumoren in de hersenen, de ogen en de schildklier beschouwen we niet als hoofd-halskankers maar benoemen we respectievelijk als hersentumoren, oogtumoren en schildkliertumoren. Deze tekst gaat niét over deze tumoren.
De Stichting Kankerregister registreerde in 2008 in Vlaanderen 1.303 nieuwe gevallen van hoofd-halskankers, waarvan 78% bij mannen en 22% bij vrouwen. Hoofd-halskanker komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen en treft vooral mensen van middelbare en oudere leeftijd. De gemiddelde leeftijd bij de diagnose was in 2008 63 jaar.
De meeste van de hoofd-halstumoren zijn gerelateerd aan tabak- en alcoholgebruik.
Onderzoeken?
De volgende klachten of symptomen kunnen wijzen op een tumor in de mond, de neus, de keelholte of het slokdarmhoofd: een niet-genezende zweer of wond, aanhoudende keelpijn, problemen bij het slikken, bloedingen in de mond of de neus, een slecht ruikende adem, het gevoel van een brok in de keel, een verminderde beweeglijkheid van de tong of de mondopening, een zwelling in de hals en nek-, oor-, tand- of hoofdpijn. Bij strottenhoofdkanker kunnen de volgende klachten voorkomen: aanhoudende heesheid, keelklachten (bijvoorbeeld pijn bij het slikken of droge keel), hoestklachten en uitstralende pijn vanuit de keel naar het oor. Een grote tumor op het strottenhoofd kan klachten geven als kortademigheid, veel slijm in de keel en slikproblemen.
Deze symptomen zijn niet specifiek voor hoofd-halskankers: er zijn veel andere ziekten met gelijkende symptomen.
De huisarts zal u bij een of meer van bovenstaande klachten onderzoeken en indien nodig verwijzen naar een neus-keel-oorarts of een kaakchirurg. De specialist onderzoekt gericht de mond-, neus- en keelholte. Hij voelt ook of er sprake is van verdikkingen in de hals, op de lippen, op de tong, op het tandvlees of op de kaken. Gezwellen op de lip en vooraan in de mondholte kan de specialist vaak zonder hulpmiddelen bekijken en bevoelen. Als het probleem dieper in de mond of keelholte zit, gebruikt de specialist een spiegel. Deze spiegel is vergelijkbaar met een tandartsspiegeltje met een lang handvat. De laatste tijd wordt het spiegelen almaar vaker vervangen door een endoscopie. De arts brengt in dat laatste geval via de neus een buigzaam slangetje (de endoscoop) in de keel. De arts kijkt vervolgens door een kijkertje aan het andere eind van de endoscoop en kan zo de mond, de neus, de keelholte, het slokdarmhoofd of het strottenhoofd goed inspecteren. Het onderzoek verschilt per orgaan van naam: met een laryngoscopie wordt bijvoorbeeld het strottenhoofd (de larynx) onderzocht, voor de neus heet het onderzoek een neusendoscopie.
Als er bij bovenstaande onderzoeken een afwijking wordt vastgesteld, zal er een biopsie volgen. Dat is de verwijdering van een stukje weefsel om het in het laboratorium op kankercellen te onderzoeken.
Als de diagnose hoofd-halskanker valt, kunnen nog andere onderzoeken volgen om te zien hoe groot de tumor is en of er mogelijk uitzaaiingen zijn elders in het lichaam: röntgenfoto's van hoofd-hals-longen, nl. een CT-scan (of computertomografie: zeer gedetailleerde röntgenfoto's van het lichaam) of een PET-scan (positron emission tomography, waarbij een licht radioactieve vloeistof ingespoten wordt om eventuele tumoren overal in het lichaam zichtbaar te maken op foto). Bij een minderheid van de patiënten wordt een NMR of MRI genomen (magnetic resonance imaging: een scan waarbij met een sterke magneet beelden van het inwendige van het lichaam gemaakt worden), de arts beslist of dit voor uw ziekte al dan niet noodzakelijk is.
Om te controleren of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren, voert de arts in bepaalde gevallen een echografie uit, dat is een onderzoek met geluidsgolven. Als de arts lymfeklieren ziet die mogelijk uitzaaiingen bevatten, dan prikt hij soms met behulp van een fijne naald in de desbetreffende lymfeklier en zuigt vocht en weefselcellen op om te onderzoeken in het lab. We noemen dit laatste onderzoek een punctie.
Lees meer over de verschillende onderzoeken
Stadia (TNM)
Aan de hand van de hierboven beschreven onderzoeken kan de arts het stadium van de ziekte vaststellen, dat is de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. De arts houdt hierbij rekening met de grootte van de tumor, de eventuele doorgroei van de tumor in het omringende weefsel (T = tumor) en de aanwezigheid van uitzaaiingen in de lymfeklieren (N = nodus) en/of organen elders in het lichaam (M = metastasen op afstand).
Behandeling?
Bij de standaardbehandeling van hoofd-halstumoren houdt men rekening met de plaats waar de tumor zich bevindt, de grootte van de tumor en de algemene toestand van de patiënt. Voor strottenhoofdkanker komt op dit moment radiotherapie op de eerste plaats (al dan niet met chemotherapie) en chirurgie op de tweede plaats. Voor de andere hoofd-halskankers is de meest toegepaste behandeling chirurgie, eventueel gevolgd door radiotherapie, al dan niet gecombineerd met chemotherapie voor gevorderde tumoren. Deze curatieve behandeling is gericht op de genezing van de patiënt.
Bij een uitgezaaide hoofd-halskanker zal een palliatieve of niet-curatieve behandeling voorgesteld worden. Het doel van deze behandeling is de ziekte zo ver mogelijk terug te dringen en zo lang mogelijk onder controle te houden om zo de overleving en levenskwaliteit zo veel mogelijk te verlengen en te verbeteren.
Soms zijn er verschillende behandelingen mogelijk. Aarzel niet uw arts vragen te stellen over de mogelijkheden en over de bijwerkingen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.
De behandeling van kanker in het hoofd-halsgebied kan behoorlijk ingrijpend zijn, want ze kan ademhalen, eten, drinken en spreken beïnvloeden en mogelijk ook zichtbare gevolgen hebben, zoals littekens in de hals of het gezicht. De behandeling van hoofd-halstumoren is daarom erg complex en vraagt een gespecialiseerde aanpak van een multidisciplinair team.
Radiotherapie
Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt een stralenbundel met een hoge energiewaarde (te vergelijken met een lichtbundel) precies gericht op de plaats van de tumor of de plaats waar de tumor zich bevond.
Bij een palliatieve behandeling wordt radiotherapie soms toegepast om lokale klachten onder controle te krijgen.
Bijwerkingen
De radiotherapeut zal ervoor zorgen dat de toegediende dosis en het bestralingsveld zodanig worden berekend dat er zo weinig mogelijk schade wordt berokkend aan gezonde weefsels en organen. Toch kan straling ook invloed hebben op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. De volgende bijwerkingen kunnen voorkomen: een minder heldere stem, een droge mond en keel, een verminderde eetlust, een branderig gevoel tijdens het eten, slikproblemen, een pijnlijke mondslijmvliesontsteking, vermoeidheid en huidirritatie. Deze bijwerkingen worden door de radiotherapeut bijgestuurd door bijvoorbeeld aangepaste medicatie of een aangepast spoelmiddel. De bijwerkingen verdwijnen normaal een tijd na de therapie. Door de radiotherapie maakt de patiënt na de behandeling dikwijls minder speeksel aan. Die verminderde speekselaanmaak is definitief.
Tijdens de behandeling en gedurende een paar maanden erna kunnen de reuk en smaak afnemen of veranderen. Die smaak en reuk worden na de behandeling weer normaal, maar niet bij iedereen.
Een tijdige en adequate aanpak van bijwerkingen is belangrijk. Een logopedist kan nuttige technieken aanleren bij slik- en praatproblemen. Een diëtist kan hulp bieden bij eetproblemen.
Chirurgie
Sommige kleine tumoren (bv. in de mondholte) worden in eerste instantie alleen geopereerd . Bij andere tumoren wordt de operatie gecombineerd met radiotherapie en/of chemotherapie. Wanneer er uitzaaiingen in de hals aanwezig zijn, of wanneer de kans hierop groot is, worden ook de lymfeklieren in de hals weggenomen.
Als de tumor te groot is, wordt vaak afgezien van chirurgie omdat de ingreep het lichaam te veel zou kunnen verminken. In dat geval wordt gewerkt met een combinatie van radiotherapie en chemotherapie.
Bijwerkingen
Door de operatiewond in de mond of keelholte is eten na de operatie voor korte of langere tijd onmogelijk. Daarom krijgt de patiënt na de operatie sondevoeding. Dat is vloeibare voeding die door een dun slangetje (sonde) via de neus in de maag loopt - uitzonderlijk wordt voeding rechtstreeks in de bloedbaan toegediend. De arts, logopedist en diëtist bekijken wanneer de patiënt vloeibaar en/of gemalen voedsel en later weer gewoner voedsel kan eten. Wanneer de arts verwacht dat de patiënt gedurende langere tijd niet op de normale manier voldoende kan eten, legt hij een maagfistel aan. Dit is een slangetje dat via de buikhuid in de maag wordt geplaatst. We noemen deze ingreep een gastrostomie. Het voordeel van zo'n maagfistel is dat een sonde via de neus niet meer nodig is.
Als gevolg van de operatie kan in sommige gevallen een zwelling in het mond-keelgebied ontstaan, waardoor de ademhaling wordt belemmerd. Om te voorkomen dat de patiënt het benauwd krijgt, maakt de arts in de hals een tijdelijk gaatje in de luchtpijp (tracheotomie). Het gaatje wordt opengehouden met behulp van een hol pijpje (canule). De canule bestaat uit twee buisjes die in elkaar passen. De patiënt kan het binnenste buisje verwijderen om het schoon te maken, terwijl hij door het buitenste gewoon kan blijven ademen.
Als de canule is geplaatst, is praten moeilijker of helemaal niet mogelijk. Communiceren verloopt dan met behulp van pen en papier of met gebaren. Als de zwelling is verminderd, verwijdert men de canule. Dit gebeurt meestal voordat de patiënt uit het ziekenhuis wordt ontslagen. Het gaatje groeit vanzelf weer dicht.
Soms is een huidtransplantatie (met huid van een ander deel van het lichaam) noodzakelijk om een wond die tijdens de operatie ontstond, te sluiten. Na een uitgebreide operatie als gevolg van hoofd-halskanker is het mogelijk om prothesen (kunstonderdelen voor het gezicht) te gebruiken om delen van het gezicht die zijn verwijderd, te vervangen.
Laryngectomie
Bij strottenhoofdkanker wordt de operatie een laryngectomie genoemd. Bij een gedeeltelijke laryngectomie kan een deel van het strottenhoofd gespaard worden. Dit is alleen mogelijk bij vrij kleine tumoren. Bij grotere tumoren moet het hele strottenhoofd verwijderd worden. We noemen dit een volledige laryngectomie.
Een laryngectomie heeft ingrijpende gevolgen voor de manier waarop de patiënt ademt en spreekt. Na een gedeeltelijke laryngectomie is er nog één stemband over zodat de patiënt nog redelijk, maar wel met schorre stem kan spreken. Na een volledige laryngectomie is er geen verbinding meer tussen de mond en de longen. Door de operatie is de luchtpijp op de huid laag in de hals vastgehecht en is de slokdarm direct met de mond verbonden. De patiënt ademt voortaan door een kunstmatige opening (tracheostoma) in de hals. Doordat de stembanden verwijderd werden, heeft de patiënt voortaan een stemprothese nodig om te spreken. Er wordt een klein ventiel tussen de luchtpijp en de slokdarm geplaatst, de stem- of spraakknop. Dit ventiel zorgt ervoor dat de patiënt na het afsluiten van de opening in zijn hals, lucht naar zijn slokdarm kan sturen waarmee hij kan spreken. Een andere methode om opnieuw te kunnen spreken, is een apparaat (elektrolarynx) tegen de keel houden dat de keel doet trillen waardoor de patiënt door middel van articulatie weer kan spreken. Een derde methode is de slokdarmspraak: de patiënt leert als het ware lucht in te slikken om deze vervolgens weer omhoog te brengen. Met deze lucht kan de patiënt praten.
Chemotherapie
Chemotherapie kan bij hoofd- en halskankers gebruikt worden als deel van een curatieve behandeling om de ziekte te genezen of als deel van een palliatieve behandeling om de ziekte af te remmen en/of om de symptomen te bestrijden.
De naam 'chemotherapie' verwijst naar de behandeling met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen. De medicijnen worden via de mond ingenomen of rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een injectie of met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en ook kankercellen in uitzaaiingen op afstand kunnen bereiken.
Vaak wordt voor de toediening van chemotherapie onder plaatselijke verdoving een poortkatheter ingeplant (voluit een subcutane veneuze poortkatheter, beter bekend onder de merknaam Port-a-cath). Een poortkatheter maakt het mogelijk om op een eenvoudige manier gedurende langere tijd celremmende geneesmiddelen (cytostatica) en andere medicijnen en vloeistoffen toe te dienen. Het systeem is voor de patiënt comfortabeler omdat er niet telkens opnieuw in de aders geprikt hoeft te worden en omdat het minder problemen geeft met de aders in de arm.
Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen.
Daarom wordt vaak een combinatie (een 'cocktail') van cytostatica voorgeschreven.
Bijwerkingen
Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, haaruitval, een ontstoken mond, een verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, een doof of slapend gevoel en/of tintelingen in de handen en voeten... Ze verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de medicijnen, de hoeveelheid geneesmiddelen en de duur van de behandeling. Om klachten zoals ontstoken mond, misselijkheid en braken tegen te gaan, wordt meestal preventief al de gepaste medicatie opgestart, die zo nodig tijdens de behandeling kan worden aangepast. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Bepaalde bijwerkingen kunnen echter maanden of jaren blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, verminderde weerstand, smaakveranderingen, doof gevoel in de vingers...
Laserbehandeling
Kleine tumoren op het strottenhoofd worden in sommige gevallen met een CO2-laser behandeld. Dit gebeurt met een endoscoop (zie hoger) via de mond.
Bijwerkingen
De stem is na een dergelijke operatie niet volledig normaal, maar na enkele weken neemt de heesheid duidelijk af. Slik- en pijnklachten zijn meestal minimaal.
Na de behandeling?
Geneeskansen
De kans op genezing hangt bij kanker van veel dingen af: van het type kanker, van het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de leeftijd en de algemene toestand van de patiënt, van de aan- of afwezigheid van uitzaaiingen, van het effect van de behandeling enz. De behandelende arts kan meer uitleg geven over al deze factoren.
Bij kanker wordt vaak gesproken in termen van vijfjaarsoverleving, dit is het gemiddelde percentage patiënten dat vijf jaar na de diagnose nog leeft. Voor de meeste hoofd-halskankers ligt dit cijfer op ongeveer 50%. Bij strottenhoofdkanker overleeft ongeveer 75% van de patiënten de eerste vijf jaar.
Algemeen geldt dat hoe kleiner de tumor is en hoe vroeger hij ontdekt wordt, hoe beter de geneeskansen zijn. Als er uitzaaiingen zijn, ligt de vijfjaarsoverleving veel lager. Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers alleen een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij of zij kent uw situatie het best.
Nazorg
Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de fysieke ongemakken die de medische behandeling meebrengt, worden de meeste kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen, angsten en onzekerheden. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden. Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen. Nazorg is in beide situaties erg belangrijk.
Hulp bij de praktische én bij de emotionele aspecten van de ziekte is vaak welkom. Het begrip 'nazorg' houdt dan ook veel in: medische begeleiding, oncorevalidatie (onder begeleiding bewegen om de fysieke conditie én de levenskwaliteit te verbeteren), psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.
Revalidatie is een erg belangrijk aspect in de behandeling van veel hoofd-halskankers. Afhankelijk van het type tumor en de behandeling kan de revalidatie bestaan uit plastische chirurgie, kinesitherapie, logopedie, dieetadvies, leren omgaan met een laryngectomie enz.
Deel van de nazorg is ook een geregelde medische controle, vooral met de bedoeling mogelijke uitzaaiingen zo snel mogelijk op te sporen en te behandelen.
Vragen?
Uw arts
Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Hij of zij kent uw ziekte en het verloop immers het best.
Logopedie en voedingsadvies
De behandeling van een hoofd-halskanker is meestal zeer ingrijpend voor de patiënt. Chirurgie in het neus-, keel- en oorgebied kan leiden tot verminkingen van het gelaat en tot functionele problemen, bijvoorbeeld met spreken en slikken. Radiotherapie belemmert al dan niet tijdelijk de spraak en het slikken. Vraag in uw ziekenhuis bij welke logopedist u terechtkunt voor spraak- en/of slikrevalidatie. Bij eetproblemen klopt u het best aan bij een diëtist. Die kan voedingsadvies op maat geven.
Andere hulpverleners in het ziekenhuis / de thuiszorg
Alle kankerafdelingen beschikken over gespecialiseerde zorgverleners die u kunnen helpen met praktische en emotionele problemen: verpleegkundigen, psychologen, sociaal werkers, diëtisten, enz. Vraag naar hen in het ziekenhuis of bij uw thuiszorgorganisatie.
VLK-ziekenhuisvrijwilligers
In een 35-tal ziekenhuizen in Vlaanderen heeft de VLK goed opgeleide vrijwilligers. Zij verzekeren een permanentie op bepaalde afdelingen van het ziekenhuis. Die vrijwilligers hebben de tijd om met u te praten, u te informeren, uw problemen te signaleren aan de zorgverleners enz. Vraag ernaar op de afdeling waar u behandeld wordt of raadpleeg de agenda.
Lotgenoten
Veel mensen voelen zich enorm gesteund door lotgenoten. Hoe vindt u iemand die hetzelfde heeft meegemaakt?
- Via een patiëntenvereniging of lotgenotengroep: zie de lijst op www.tegenkanker.be/lotgenotengroepen.
- Op http://forum.tegenkanker.be: verhalen en ervaringen onder lotgenoten.
Kankertelefoon
Deze webpagina beantwoordt wellicht niet al uw vragen. Blijf er echter niet mee zitten, maar schrijf ze op, stel ze aan uw arts of bel naar de Vlaamse Kankertelefoon, (elke werkdag van 9 tot 12 en van 13 tot 17 uur, of stuur een e-mail naar kankerlijn@tegenkanker.be). U kunt er terecht voor een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek. U kunt er ook informatie krijgen over financiële hulp en andere sociale voorzieningen, thuiszorg, palliatieve zorg, pruikenwinkels enz.
Laatst gewijzigd: 29/11/2011






