LinksSitemapContact
U bent hier:

Baarmoederkanker

Wat is baarmoederkanker?

De baarmoeder behoort net als de vagina (schede), de eierstokken en de eileiders tot de inwendige geslachtsorganen van de vrouw. Deze bevinden zich in het onderste deel van de buikholte (het kleine bekken). Met behulp van steunweefsel worden zij op hun plaats gehouden. De kleine en grote schaamlippen, de clitoris (kittelaar) en de ingang van de vagina behoren tot de uitwendige geslachtsorganen.

De vrouwelijke geslachtsorganen - KWF Kankerbestrijding NederlandDe baarmoeder heeft de vorm van een omgekeerde peer en bestaat voornamelijk uit twee delen: het baarmoederlichaam en de baarmoederhals. Het brede deel, het baarmoederlichaam, vormt het grootste deel van de baarmoeder. De wand van het baarmoederlichaam is opgebouwd uit twee lagen: een binnenste slijmvlieslaag en een buitenste spierlaag. Aan weerszijden van het baarmoederlichaam liggen de eierstokken met de eileiders. De eileiders vormen de verbinding tussen de baarmoeder en de eierstokken. Het baarmoederlichaam gaat over in de baarmoederhals, het onderste, smalle deel van de baarmoeder. Deze mondt uit in de vagina.

Baarmoederhalskanker ontstaat meestal in het overgangsgebied tussen de baarmoederhals en de baarmoedermond, terwijl baarmoederlichaamkanker zich in de binnenste slijmvlieslaag van het baarmoederlichaam (het endometrium) ontwikkelt. Baarmoederlichaamkanker wordt meestal gewoon verkort tot baarmoederkanker of endometriumcarcinoom genoemd. Bij ongeveer 5% van de vrouwen met baarmoederlichaamkanker ontstaat de ziekte niet in de binnenste slijmvlieslaag maar in de spierwand van de baarmoeder. Dit wordt een uterussarcoom (uterus = baarmoeder) genoemd. Een sarcoom is een heel ander type kanker.

Hoewel baarmoederlichaamkanker en baarmoederhalskanker allebei in de baarmoeder ontstaan, hebben ze een heel verschillend ziekteverloop. Ook de behandeling van deze twee ziekten is verschillend. We hebben het hier alleen over baarmoederlichaamkanker (= endometriumcarcinoom), niet over baarmoederhalskanker en uterussarcoom.

De Stichting Kankerregister registreerde in 2009 in Vlaanderen 889 nieuwe gevallen van baarmoederlichaamkanker. Kanker van het baarmoederlichaam is daarmee bij vrouwen de vijfde meest voorkomende kanker. 95% van de patiënten met baarmoederkanker is ouder dan 50 jaar.

Onderzoeken?

Baarmoederkanker komt meestal voor na de menopauze of in de overgangsperiode. Toch ontwikkelt de ziekte zich in 10% van de gevallen voor de menopauze. Het eerste symptoom is meestal (ongewoon) vaginaal bloedverlies.
In 85% van de gevallen is het eerste symptoom een bloeding na de menopauze, in 15% van de gevallen wijzen menstruatiestoornissen al in de overgangsjaren op een probleem. Soms duiken ook problemen op bij het plassen of de stoelgang. Buikklachten komen bij baarmoederkanker zelden voor en zijn een symptoom van gevorderde ziekte. Ook vermagering en vermoeidheid kunnen een teken van ziekte zijn.

Wanneer er een vermoeden van baarmoederkanker bestaat, voert de arts eerst een gericht inwendig onderzoek uit. Als dat eerste onderzoek verdachte afwijkingen aan het licht brengt, volgt een vaginale echografie (onderzoek met geluidsgolven). Als de dikte van het baarmoederslijmvlies afwijkt, kan de arts besluiten wat weefsel weg te halen voor onderzoek. Bij een hysteroscopie wordt een buisvormig instrument waaraan een kijkertje (een scoop) is bevestigd, via de vagina in de baarmoeder gebracht. Daarmee is het mogelijk de wand van de baarmoeder te bekijken. De arts kan zo bepalen uit welke verdacht uitziende plek een stukje weefsel moet worden genomen aan de hand van een biopsie of een dilatatie en curettage (D&C). Bij een biopsie wordt met een klein instrument een stukje weefsel weggenomen. Bij een curettage wordt met een zuigertje slijmvlies van de baarmoeder verwijderd. Na onderzoek van het weggenomen weefsel kan definitief vastgesteld worden of er sprake is van baarmoederkanker.
Als de diagnose baarmoederkanker gesteld is, dienen nog andere onderzoeken te gebeuren om te zien of er mogelijk elders in het lichaam uitzaaiingen te zien zijn en om te weten in welk stadium de ziekte zich bevindt. Dat helpt de artsen immers mee de behandeling te bepalen. Zo kunnen onder andere een bloedonderzoek, radiografie van de longen, een echografie van de buik (lever, nier, urinewegen en lymfeklieren), een CT-scan (computertomografie, of zeer gedetailleerde röntgenfoto’s met dwarse doorsneden van het lichaam) een NMR (nucleaire magnetische resonantie, beelden van het inwendige van het lichaam gemaakt met een sterke magneet) of een PET-scan volgen (positron emission tomography, waarbij een licht radioactieve vloeistof ingespoten wordt om eventuele uitzaaiingen zichtbaar te maken op foto). Bij klachten van de blaas of darm kan de arts beslissen om met een camera in de endeldarm (rectoscopie) of in de blaas (cystoscopie) te gaan kijken.

Stadia

Aan de hand van de hierboven beschreven onderzoeken kan de arts het stadium van de ziekte vaststellen, dat is de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Er worden vier stadia onderscheiden voor baarmoederkanker.

Stadium I: de tumor is beperkt tot de baarmoeder, waarbij wordt gekeken of de tumor zich alleen in het slijmvlies bevindt of is doorgegroeid in de spierlaag van de baarmoeder.
Stadium II: de tumor is doorgegroeid tot in de baarmoederhals maar niet buiten de baarmoeder.
Stadium III: er is tumoruitbreiding buiten de baarmoeder, maar binnen het kleine bekken. Dat wil zeggen: in de directe omgeving van de baarmoeder, bijvoorbeeld naar de eierstokken, de vagina of de lymfeklieren in de buik.
Stadium IV: de tumor is doorgegroeid buiten het kleine bekken of is doorgegroeid naar de blaas of de endeldarm en/of er zijn uitzaaiingen elders in de buikholte. Ook bij uitzaaiingen van baarmoederkanker in andere organen, bijvoorbeeld in de longen of de botten, spreekt men van stadium IV.

Behandeling?

Bij baarmoederkanker kunnen een operatie (chirurgie), bestraling (radiotherapie), een behandeling met medicijnen (chemotherapie) en hormoontherapie toegepast worden. De behandelende arts zal vaak een combinatie van deze verschillende methoden adviseren, afhankelijk van het stadium waarin de ziekte zich bevindt en de algemene conditie en leeftijd van de patiënt.
Soms zijn er verschillende behandelingen mogelijk. Aarzel niet uw arts vragen te stellen over de mogelijkheden en over de bijwerkingen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.

Chirurgie

Patiënten met baarmoederkanker worden meestal geopereerd. De bedoeling is het aangetaste weefsel weg te nemen door de baarmoeder te verwijderen.In medische termen wordt dit een hysterectomie genoemd. Vaak worden ook de omringende lymfeklieren en de eierstokken verwijderd. Als de tumor is doorgegroeid naar de baarmoederhals (stadium II), is de operatie meestal uitgebreider. Naast de baarmoeder, klieren en eierstokken kan het dan ook nodig zijn om het steunweefsel rond de baarmoeder en het bovenste gedeelte van de vagina weg te nemen.

Bijwerkingen

Vrouwen die nog niet in de overgang waren, menstrueren niet meer nadat de baarmoeder en de eierstokken zijn weggenomen. Ze komen vervroegd in de overgang en kunnen niet meer zwanger worden.
Sommige vrouwen hebben na de operatie moeite met het ophouden van de urine. Dat is het geval als bij de operatie kleine zenuwen van de blaas zijn beschadigd. Meestal is deze klacht van voorbijgaande aard. Ook de seksuele beleving kan na een operatie veranderd zijn. Dit kan zowel veroorzaakt worden door de verkorte vagina als door een drogere vagina na verwijderen van de eierstokken.
De operatie veroorzaakt weinig andere bijwerkingen.

Radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen om kankercellen te vernietigen. De baarmoeder kan uitwendig of inwendig bestraald worden. Soms worden beide methodes gecombineerd.
Een aantal vrouwen krijgt een combinatie van wegname van de baarmoeder en radiotherapie. De bestraling gebeurt na de operatie om de kans op lokaal herval en eventueel herval in de lymfeklieren van het kleine bekken te beperken.

Uitwendige bestraling

Bij uitwendige bestraling wordt bestraald vanuit een machine buiten het lichaam. De duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. De bestraling op zich is pijnloos en er is meestal geen ziekenhuisopname nodig.

Bijwerkingen

De radiotherapeut zal ervoor zorgen dat de toegediende dosis en het bestralingsveld zodanig worden berekend dat er zo weinig mogelijk schade wordt berokkend aan gezonde weefsels en organen. Toch kan straling ook invloed hebben op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Darmklachten (diarree, krampen, misselijkheid) en plasklachten (frequent plassen, bloed bij plassen of pijn bij plassen) kunnen bijwerkingen zijn. Deze bijwerkingen verdwijnen normaal een tijd na de therapie.
Met de moderne technologie zoals intensiteitsgemoduleerde radiotherapie (IMRT) zijn deze klachten echter zeer uitzonderlijk geworden. Bij IMRT wordt in plaats van met grotere bestralingsvelden, die vaak ook de gevoelige organen en structuren in de nabijheid van de tumor omvatten, het doelgebied vanuit een groot aantal verschillende richtingen met kleine bestralingsbundels zogenaamde segmenten) bestraald.
Bij intensiteitsgemoduleerde boogtherapie (IMAT) beschrijft het bestralingstoestel continu een boogvormige beweging rond de patiënt. Het toestel stelt zijn bestralingsbundel constant bij, aangepast aan de vorm van de te bestralen tumor.
Ook vermoeidheid is een bijwerking van radiotherapie.

Inwendige bestraling

Bij inwendige bestraling, ook brachytherapie genoemd, wordt materiaal dat bestraling produceert, rechtstreeks ingebracht in de baarmoeder en/of in het bovenste gedeelte van de vagina. Een korte opname in het ziekenhuis is nodig om de bronhouders aan te brengen, dat zijn smalle buisjes waarop tijdens de bestraling dunne slangen aangesloten worden die in contact staan met het bestralingstoestel.

Bijwerkingen

Inwendige bestraling veroorzaakt meestal weinig klachten. Soms is het plassen enkele dagen wat gevoelig, ook de seksuele beleving kan hier enige tijd wat verstoord zijn.

Hormoontherapie

Het menselijk lichaam maakt hormonen aan, onder andere geslachtshormonen. Sommige soorten kanker zijn gevoelig voor geslachtshormonen, wat betekent dat de hormonen de groei van kankercellen kunnen bevorderen. Door medicijnen toe te dienen die die hormoongevoeligheid verminderen, kan ook de ontwikkeling en de werking van kankercellen geblokkeerd of vertraagd worden.
Artsen gebruiken soms hormoontherapie bij baarmoederkanker wanneer een operatie of radiotherapie niet mogelijk is. Ook bij uitzaaiingen op afstand (in de longen bijv.) of na een herval kan hormoontherapie helpen.

Bijwerkingen

Afhankelijk van het type medicament kunnen ook hier bijwerkingen optreden zoals een lichte gewichtstoename.

Chemotherapie

De naam ‘chemotherapie’ verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die de groei van kankercellen remmen of vernietigen. De medicijnen worden meestal rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en overal eventuele kankercellen kunnen bereiken.
Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een ‘cocktail’) van celremmende geneesmiddelen (of cytostatica) voorgeschreven.
Chemotherapie kan gebruikt worden bij baarmoederkanker om eventueel achtergebleven tumorcellen te bestrijden. Of aanvullende chemotherapie nodig is, hangt af van verschillende factoren zoals de uitgebreidheid van de ziekte, de graad van agressiviteit van de cellen, de leeftijd en algemene toestand van de patiënt. Chemotherapie kan ook gebruikt worden bij uitzaaiingen om symptomen van de ziekte te verlichten.

Bijwerkingen

Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, haaruitval, ontstoken mond, verhoogde kans op infecties... Ze verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de medicijnen, de hoeveelheid en de duur van de behandeling. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Bepaalde bijwerkingen kunnen echter lang blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, doof gevoel in de vingers...

Na de behandeling?

Geneeskansen

De kans op genezing hangt van veel dingen af: van het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de groeisnelheid van de tumor, van de leeftijd en de algemene toestand van de patiënt, van het feit of er al dan niet uitzaaiingen zijn, van het effect van de behandeling enz. De behandelende arts kan meer uitleg geven over al deze factoren.
De overlevingskansen bij baarmoederkanker zijn over het algemeen redelijk goed omdat bij 85% van de vrouwen de ziekte in een vroeg stadium wordt ontdekt. In de eerste stadia van de ziekte ligt de vijfjaarsoverleving tussen 60 en 95%. Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij of zij kent uw situatie het best.

Nazorg

Na een intensieve medische behandeling blijft er bij de meeste patiënten een gevoel van onzekerheid. Als de therapie met succes is afgerond, vraagt men zich af wat er nog meer gedaan kan worden. Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen. Nazorg is in beide situaties dan ook erg belangrijk. Het begrip ‘nazorg’ houdt veel in: medische begeleiding, oncorevalidatie (onder begeleiding bewegen en sporten om de fysieke conditie weer op te bouwen), psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.

Vragen?

Uw arts

Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke, psychologische of emotionele problemen. Hij of zij kent uw ziekte en het verloop immers het best.

Andere hulpverleners in het ziekenhuis/de thuiszorg

Alle kankerafdelingen beschikken over gespecialiseerde zorgverleners die u kunnen helpen met praktische en emotionele problemen: verpleegkundigen, psychologen, sociaal werkers, diëtisten, logopedisten, kinesitherapeuten, enz. Vraag naar hen in het ziekenhuis of bij uw thuiszorgorganisatie.

VLK-ziekenhuisvrijwilligers

In een 35-tal ziekenhuizen in Vlaanderen heeft de Vlaamse Liga tegen Kanker (VLK) goed opgeleide vrijwilligers. Zij verzekeren een permanentie op bepaalde afdelingen van het ziekenhuis. Die vrijwilligers nemen de tijd om naar u te luisteren, met u te praten, u te helpen zoeken naar geschikte informatie, uw problemen te signaleren aan de zorgverleners enz. Vraag ernaar op de afdeling waar u behandeld wordt of raadpleeg de agenda van uw regio.

Lotgenoten

Veel mensen voelen zich enorm gesteund door lotgenoten. Hoe vindt u iemand die hetzelfde heeft meegemaakt?


Kankerlijn

Bel de Kankerlijn, of stel uw vraag op www.kankerlijn.beVoor een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek: bel de Kankerlijn, 0800/35.445, elke werkdag van 9 tot 12 uur en van 13 tot 17 uur. Stel uw vraag op www.kankerlijn.be of per e-mail op kankerlijn@tegenkanker.be. O.a. voor informatie over financiële hulp en andere sociale voorzieningen, thuiszorg, palliatieve zorg, pruikenwinkels enz.

 

Kankermeldpunt

KankermeldpuntMeld uw probleem: bent u tevreden over de medische zorg, de begeleiding en ondersteuning? Of kan het beter? Hebt u ervaren dat er nog ruimte is voor verbetering? Aarzel dan niet, en signaleer het aan het Kankermeldpunt. Bel elke werkdag van 9u tot 12u. of via de website www.kankermeldpunt.be. Alles gebeurt in volledige anonimiteit. Het Kankermeldpunt kan geen individuele problemen oplossen. De VLK wil terugkerende problemen detecteren en voor structurele oplossingen pleiten.



Meer informatie?

Brochures, magazine, boeken

enz.

Een uitgebreide boekenlijst vindt u hier.

Websites


Activiteiten
Infosessies (over uw kanker, over nevenwerkingen, vermoeidheid...), workshops, lezingen, ontmoetingsdagen...: ze staan per regio in de agenda.

Patiënten vertellen

Naar boven

Laatste wijziging: 4 februari 2013