LinksSitemapContact
U bent hier:

Baarmoederhalskanker

Wat is baarmoederhalskanker?

De baarmoeder behoort net als de vagina (schede), de eierstokken en de eileiders tot de inwendige geslachtsorganen van de vrouw. Die bevinden zich in het onderste deel van de buikholte (het kleine bekken). Met behulp van steunweefsel worden zij op hun plaats gehouden.

De kleine en grote schaamlippen, de clitoris (kittelaar) en de ingang van de vagina behoren tot de uitwendige geslachtsorganen.

De baarmoeder heeft de vorm en de omvang van een omgekeerde peer. Het bovenste en grootste deel van de baarmoeder is het baarmoederlichaam (c). Het is verbonden met de vagina door middel van de baarmoederhals (d) en de baarmoedermond (e).

Het slijmvlies in de baarmoederhals is uit andere cellen opgebouwd dan het slijmvlies in het baarmoederlichaam. Waar de baarmoederhals overgaat in de vagina (f), gaan deze twee soorten cellen in elkaar over. Baarmoederhalskanker ontstaat meestal in dit overgangsgebied, terwijl baarmoederlichaamkanker zich in de binnenste slijmvlieslaag van het baarmoederlichaam ontwikkelt. Baarmoederlichaamkanker wordt meestal gewoon verkort baarmoederkanker genoemd.

Hoewel baarmoederkanker en baarmoederhalskanker allebei in de baarmoeder ontstaan, hebben ze een heel verschillende oorzaak en ziekteverloop. Ook de behandeling van deze twee ziekten is verschillend. We hebben het hier alleen over baarmoederhalskanker, niet over baarmoederlichaamkanker.

De Stichting Kankerregister registreerde in 2010 in Vlaanderen 330 nieuwe gevallen van baarmoederhalskanker. De ziekte treft vooral vrouwen tussen 30 en 70 jaar.

Oorzaken en onderzoeken

Baarmoederhalskanker wordt bijna altijd veroorzaakt door het zogenaamde HPV-virus. Er bestaan meer dan 100 types HPV, waarvan de meeste onschadelijk zijn. De meeste volwassenen hebben door seksueel contact ooit wel een HPV-infectie gehad, die meestal vanzelf geneest. Een HPV-infectie die niet weggaat, kan soms baarmoederhalskanker veroorzaken. Baarmoederhalskanker zelf is niet besmettelijk, het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken, is dat wel.

Baarmoederhalskanker ontwikkelt zich heel langzaam. De kanker heeft namelijk een aantal voorstadia of voorlopers. Dat betekent dat er zich in de overgangszone van de baarmoederhals naar de schede cellen ontwikkelen die, afhankelijk van om welk voorstadium het gaat, in mindere of meerdere mate afwijken van normale baarmoederhalscellen. Zo’n voorstadium is nog geen kanker, maar kan zich mogelijk verder ontwikkelen tot kanker. Het kan jaren duren vooraleer deze afwijkende cellen uiteindelijk ontaarden tot baarmoederhalskanker. Bovendien evolueert twee derde van deze afwijkingen nooit tot baarmoederhalskanker, maar bij een derde is dit wel het geval.

Met een eenvoudig onderzoek, het uitstrijkje of een test die het HPV-virus opspoort, kunnen deze voorstadia en ook beginnende baarmoederhalskanker worden opgespoord en, indien nodig, worden behandeld.

Veranderingen aan de cellen in de overgangszone van de baarmoederhals naar de schede leiden in eerste instantie niet tot welbepaalde symptomen, zoals pijn of iets anders. Meestal is het eerste dat een vrouw opmerkt een ongewone, bloederige afscheiding, vaak na seksueel contact. Het gaat niet altijd om een echt duidelijke bloeding. Is er maar een beetje bloedverlies, dan geeft dat een bruinige afscheiding. Soms laat zo’n klein beetje bloedverlies alleen wat bruine veegjes in het ondergoed achter.

Ongewoon bloedverlies is bloedverlies buiten de normale menstruatieperiode, zoals:

  • tussen of vlak na geslachtsgemeenschap,
  • tussen twee menstruaties,
  • een bloeding na de overgang. Vrouwen denken dan soms wel eens dat ze opnieuw ongesteld worden. Maar als een vrouw al geruime tijd, ongeveer een jaar, niet meer ongesteld is geworden, dan is zo’n bloeding geen gewone menstruatie.

Let wel: deze klachten kunnen ook andere oorzaken hebben (bv. een poliep, infectie...). Ze wijzen dus niet altijd op baarmoederhalskanker. Toch raadpleegt u voor alle zekerheid altijd het best uw huisarts of gynaecoloog.

Bij een vermoeden van baarmoederhalskanker, bekijkt de gynaecoloog de baarmoederhals met een sterk vergrotende loep (colposcoop). We noemen dit onderzoek een colposcopie. De speciale microscoop geeft de arts de mogelijkheid de baarmoederhals heel nauwkeurig na te kijken op afwijkingen die vaak te klein zijn om met het blote oog zichtbaar te zijn. Als er afwijkingen zijn, neemt de gynaecoloog tijdens de colposcopie een stukje weefsel weg (biopsie) om het in het labo te laten onderzoeken.

Als de diagnose baarmoederhalskanker valt, voert de gynaecoloog een bijkomend uitgebreid inwendig onderzoek uit (meestal onder algemene verdoving). Er volgen meestal nog andere onderzoeken om na te gaan hoe ver de tumor zich heeft uitgebreid en om te controleren of er uitzaaiingen zijn elders in het lichaam. Meestal wordt er een röntgenfoto van de longen gemaakt om na te gaan of de baarmoederhalskanker is uitgezaaid naar de longen. Met een CT-scan of computertomografie worden de lymfeklieren in de buik, het bekken en de organen in de buik met behulp van zeer gedetailleerde röntgenfoto’s in beeld gebracht. Met een MR–scan of MRI (magnetic resonance imaging) wordt een magnetisch veld opgewekt waarmee beelden van het bekken en de onderbuik gemaakt worden. Bij een PET-scan (positron emission tomography) wordt een radioactieve vloeistof ingespoten om eventuele tumoren overal in het lichaam zichtbaar te maken op foto. Vaak wordt ook een bloedanalyse verricht.

Stadia

Baarmoederhalskanker ontwikkelt zich heel langzaam. Deze kanker heeft namelijk een aantal voorstadia (zie oorzaken en onderzoeken). Aan de hand van de hoger beschreven onderzoeken kan de arts het stadium van de ziekte vaststellen, dat is de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. De arts houdt hierbij rekening met de grootte van de tumor, de eventuele doorgroei van de tumor in het omringende weefsel en de aanwezigheid van uitzaaiingen in de lymfeklieren en/of organen elders in het lichaam.

Voor baarmoederhalskanker onderscheiden we vier stadia. Ze worden aangeduid met Romeinse cijfers van I (beginstadium) tot IV (vergevorderd stadium). Bij stadium I is de tumor beperkt tot de baarmoederhals. Bij stadium II is de tumor doorgegroeid vanuit de baarmoederhals tot in het steunweefsel rond de baarmoederhals of het bovenste deel van de vagina. Bij stadium III is de tumor verder doorgegroeid tot aan de bekkenwand of in het onderste deel van de vagina. Bij stadium IV is de tumor buiten het bekken gegroeid of doorgegroeid in de blaas of de endeldarm (het laatste deel van de dikke darm). Ook bij uitzaaiingen van baarmoederhalskanker in andere organen, bijvoorbeeld in de longen, spreekt men van stadium IV.

Behandeling

De behandeling van baarmoederhalskanker wordt besproken en gepland in een overleg waarbij specialisten van verschillende disciplines betrokken zijn. Het type en de omvang van de behandeling hangen af van het type baarmoederhalskanker, de plaats en grootte van de tumor, de uitgebreidheid van de ziekte, en de algemene conditie en leeftijd van de patiënt.

Als de baarmoederhalskanker niet is uitgezaaid, wordt meestal geopteerd voor een operatie (chirurgie), al dan niet gevolgd door bestraling (radiotherapie) met chemotherapie. Het kan ook zijn dat uw arts verkiest om eerst chemotherapie te geven en hierna te opereren.

Soms wordt radiotherapie in combinatie met chemotherapie verkozen, bijvoorbeeld wanneer de tumor buiten de baarmoederhals gegroeid is of uitgezaaid is naar de lymfeklieren in het bekken.

Als de baarmoederhalskanker is uitgezaaid buiten de onderbuik, wordt meestal chemotherapie of een combinatie van radiotherapie en chemotherapie voorgesteld. In dit geval werkt de behandeling nog maar zelden genezend maar kan ze wel de symptomen helpen verlichten.

Soms zijn er verschillende behandelopties of combinaties van behandelingen mogelijk. Aarzel niet uw artsenteam vragen te stellen over de mogelijkheden en over de bijwerkingen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.

Chirurgie

Indien de ziekte beperkt is tot de baarmoederhals, er geen uitbreiding is naar de omgevende weefsels en er geen uitzaaiingen worden vermoed in de lymfeklieren, wordt meestal geopteerd voor een operatie. Hoe uitgebreid de operatie moet zijn, hangt af van het stadium van de baarmoederhalskanker en de grootte van de tumor.

In een voorstadium of een vroeg stadium van baarmoederhalskanker wordt er meestal slechts een klein gedeelte van de baarmoederhals verwijderd. De baarmoeder zelf blijft intact. Is de ziekte in een beginstadium en hebt u geen kinderwens, dan wordt soms de gehele baarmoeder verwijderd.

In een verder gevorderd stadium vindt een meer ingrijpende operatie plaats waarbij de baarmoederhals en baarmoeder volledig worden verwijderd, eventueel samen met de eierstokken en eileiders, het bovenste deel van de vagina (schede), een deel van het omgevende steunweefsel en de lymfeklieren in de onderbuik.

Gevolgen voor de vruchtbaarheid

Als de baarmoeder behouden kan blijven, kunt u normaal nog zwanger worden. Chemotherapie kan de vruchtbaarheid echter ook aantasten. Bij jonge vrouwen kunnen daarom vóór de behandeling eicellen worden ingevroren.
Als de baarmoeder verwijderd moet worden, kunt u niet meer zwanger worden. Praat vóór uw behandeling over uw vruchtbaarheid en uw eventuele kinderwens met uw gynaecoloog. Vraag om u eventueel door te verwijzen naar een fertiliteitscentrum.

Andere gevolgen en bijwerkingen

Na het verwijderen van de eierstokken stopt de aanmaak van bepaalde hormonen. Hierdoor komt u versneld in de menopauze. Net als de natuurlijke overgang kan dit klachten geven zoals opvliegers, overmatig transpireren en een droge schede. Bespreek met uw gynaecoloog hoe u die klachten het beste opvangt.

Sommige vrouwen hebben na de operatie moeite om te plassen. Dit kan komen doordat bij de operatie kleine zenuwen van de blaas beschadigd zijn. Dat is niet altijd te voorkomen. Als deze zenuwen niet goed meer werken, kan de blaas te vol raken. U kunt dan plots een spanningsgevoel ter hoogte van de blaas krijgen of u verliest dan plotseling urine. De eerste maanden na de operatie is het daarom verstandig op geregelde tijden te gaan plassen. Meestal keert het signaal dat u moet plassen, na enige tijd geleidelijk weer terug.

Na een operatie van de baarmoederhals kan de ontlasting moeizamer gaan doordat de zenuwen naar de darm soms beschadigd zijn. Vaak is de obstipatie goed te verhelpen met laxeermiddelen.

De meeste vrouwen hebben in de periode direct na de operatie minder behoefte aan seks. Is die behoefte er wel, dan kan seks toch nog beladen zijn. Door de operatie kan de schede wat korter zijn, en minder vochtig worden. Meestal helpt een glijmiddel. Praat over seks met uw arts (ook als hij of zij er zelf niet over begint). Vraag hem wat de mogelijke gevolgen zullen zijn en wat u eraan kunt doen.

Als bij de operatie de lymfeklieren in het bekken werden weggehaald, kunnen uw benen opzwellen door opstapeling van lymfevocht in het lidmaat, ook lymfoedeem genoemd. Als uw been opzwelt, strak of zwaar aanvoelt of pijnlijk wordt, meldt u dit het best meteen aan uw arts om te laten behandelen. Anders verandert na een tijd het weefsel onder de huid en wordt het moeilijk om er iets aan te doen. Sommige patiënten krijgen pas jaren na de behandeling last van lymfoedeem. Het is zeer belangrijk te vermijden dat er infecties ontstaan in de benen. Infecties kunnen uitgelokt worden door kleine wondjes aan de voeten of benen en kunnen lymfoedeem uitlokken. Afhankelijk van de ernst van het lymfoedeem bekijkt de arts op welke wijze de overlast kan worden verminderd.

Radiotherapie

Radiotherapie kan bij baarmoederhalskanker na of in plaats van een operatie gebruikt worden. Radiotherapie maakt soms deel uit van de behandeling na de operatie om het risico op herval te verminderen. Soms wordt bestraling als eerste behandeling toegepast. Daarbij worden behalve de baarmoeder ook de eileiders, de eierstokken, het bovenste deel van de vagina en de lymfeklieren in het bekken bestraald.

Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen die kankercelgroei probeert te stoppen of vertragen. Bij baarmoederhalskanker wordt meestal een combinatie van inwendige en uitwendige bestraling gegeven.

Bij uitwendige bestraling wordt de tumor van buitenaf — door de huid — bestraald. De stralenbundel wordt precies gericht op de plaats van de tumor of de plaats waar de tumor zich bevond. Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per type tumor en graad van kwaadaardigheid. Ook de bestralingsdosis en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) variëren. De bestralingen op zich zijn pijnloos. Voor uitwendige bestraling is meestal geen opname in het ziekenhuis nodig.

Bij inwendige bestraling, ook brachytherapie genoemd, wordt materiaal dat bestraling produceert, rechtstreeks ingebracht in de baarmoederhals en/of in het bovenste gedeelte van de vagina. Die radioactieve ‘zaadjes’ geven daar plaatselijk een hoge dosis straling af. De ingreep heeft onder verdoving plaats, en er is meestal een korte ziekenhuisopname nodig.

Bijwerkingen uitwendige bestraling

De radiotherapeut zorgt ervoor dat de toegediende dosis en de bestralingsvelden zodanig worden gekozen dat er zo weinig mogelijk schade wordt berokkend aan gezonde weefsels en organen. Toch heeft bestraling afhankelijk van de dosis ook invloed op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Daardoor kan de huid rood en gevoelig worden op de bestraalde plek. Vermoeidheid is een andere vaak voorkomende bijwerking tijdens de weken die volgen op de radiotherapie. Doordat bij bestraling van de onderbuik ook de darmen en de blaas bestraald worden, kunt u veelvuldig aandrang voelen om ontlasting te krijgen, last hebben van buikkrampen en diarree, of er kunnen klachten optreden zoals bij een blaasontsteking. Deze bijwerkingen verdwijnen normaal enkele weken na de therapie. Soms kunt u blijvend last hebben van diarree.

Als u nog niet in de overgang bent, kan bestraling van de eierstokken tot gevolg hebben dat u in de overgang komt (zie ook gevolgen operatie). Soms is het mogelijk om bij de operatie een of beide eierstokken buiten het bestralingsgebied te plaatsen. Bespreek deze mogelijkheid met uw gynaecoloog.

Bijwerkingen inwendige bestraling

Doorgaans hebt u weinig klachten na inwendige bestraling. Soms is het plassen enkele dagen wat gevoelig. Omdat de inwendige bestraling tijdens of kort na de uitwendige bestraling plaatsvindt, kunt u wel nog last hebben van de bijwerkingen van de uitwendige bestraling.

Vooral bij de combinatie van uitwendige en inwendige bestraling kan het bovenste deel van de vagina stugger en droger worden. Dit kan seksuele activiteit bemoeilijken. Vraag aan uw gynaecoloog hoe u dit probleem kunt opvangen of voorkomen.

Chemotherapie

Chemotherapie wordt als aanvullende behandeling bij bestraling of voor een operatie geadviseerd. De toevoeging van chemotherapie tijdens de bestralingsperiode versterkt het effect van de bestraling op baarmoederhalskanker. Het kan ook voor een operatie worden gegeven om de tumor te verkleinen. Bij een vergevorderd stadium van baarmoederhalskanker kan chemotherapie de klachten helpen verminderen.

De naam ‘chemotherapie’ verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die de groei van kankercellen remmen of vernietigen. Deze celremmende medicijnen (cytostatica) worden meestal met een injectie of een infuus in de bloedbaan gebracht, zodat ze zich in het hele lichaam verspreiden en uitzaaiingen op afstand kunnen bereiken.

Soms wordt voor de toediening van chemotherapie onder plaatselijke verdoving een poortkatheter ingeplant (voluit een subcutane veneuze poortkatheter, beter bekend onder de merknaam Port-a-cath). Een poortkatheter maakt het mogelijk om op een eenvoudige manier regelmatig gedurende langere tijd celremmende geneesmiddelen (cytostatica) en andere medicijnen en vloeistoffen toe te dienen. Het systeem is voor de patiënt comfortabeler omdat er niet telkens opnieuw in de aders geprikt hoeft te worden en omdat het minder problemen geeft met de aders in de arm.

Bijwerkingen

Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, een ontstoken mond, een verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, een doof of slapend gevoel en/of tintelingen in de handen en voeten... Ze verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de soort medicijnen, de hoeveelheid medicijnen en de duur van de behandeling. Om klachten zoals misselijkheid en braken tegen te gaan, wordt meestal preventief al de gepaste medicatie opgestart, die zo nodig tijdens de behandeling kan worden aangepast. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Bepaalde bijwerkingen kunnen echter maanden of jaren blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, verminderde weerstand, smaakveranderingen, doof gevoel in de vingers...

Onderzoek naar nieuwe behandelingen

De behandelende arts kan een patiënt vragen om deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek (ook een klinische studie genoemd). Voor patiënten betekent de deelname aan een studie vaak een extra behandelingsmogelijkheid. In klinische studies testen artsen of een nieuw geneesmiddel of een nieuwe behandeling veilig is of/en betere resultaten oplevert dan de bestaande behandelingen. Een patiënt doet echter alleen maar mee als hij/zij daar uitdrukkelijk en schriftelijk informatie over heeft gekregen en daar schriftelijk toestemming voor geeft.

Doelgerichte of gerichte therapie (in het Engels targeted therapy genoemd) is een behandeling met medicijnen die doelgericht uitgezaaide kankercellen aanpakken, waardoor de uitzaaiing wordt afgeremd. Momenteel lopen er studies om na te gaan welke medicijnen kunnen ingeschakeld worden bij de behandeling van uitgezaaide baarmoederhalskanker.

Na de behandeling?

Kans op genezing

Algemeen geldt dat hoe vroeger kanker ontdekt wordt, hoe meer kans op genezing er is.

De kans op genezing hangt bij baarmoederhalskanker van veel dingen af: van het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de leeftijd en de algemene toestand van de patiënt, van de aan- of afwezigheid van uitzaaiingen, van het effect van de behandeling enz. De behandelende arts kan meer uitleg geven over al deze factoren.

Algemeen geldt dat hoe kleiner de tumor is en hoe vroeger hij ontdekt wordt, hoe beter de geneeskansen zijn. Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers alleen een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij of zij kent uw situatie het best.

Nazorg

Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de lichamelijke ongemakken die de behandeling meebrengt, worden kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen en onzekerheden. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden. Baarmoederhalskanker komt meestal terug in de onderbuik. Het is daarom belangrijk op regelmatige tijdstippen een gynaecologisch onderzoek te ondergaan. Vaak is het ook nodig om een uitstrijkje te laten nemen zodat een eventueel herval nog tijdig kan ontdekt en behandeld worden.

Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij het best kan helpen. Nazorg is in beide situaties erg belangrijk.

Hulp bij praktische én emotionele aspecten van de ziekte is vaak welkom. Het begrip ‘nazorg’ houdt dan ook veel in: medische begeleiding, oncorevalidatie (onder begeleiding bewegen om de fysieke conditie én de levenskwaliteit te verbeteren), psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.

Deel van de nazorg is ook een geregelde medische controle, vooral met de bedoeling mogelijke uitzaaiingen zo snel mogelijk op te sporen en te behandelen.

Vragen?

Uw arts

Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke, psychologische of emotionele problemen. Hij of zij kent uw ziekte en het verloop immers het best.

Andere hulpverleners in het ziekenhuis/de thuiszorg

Alle kankerafdelingen beschikken naast het behandelende artsenteam over gespecialiseerde zorgverleners die u kunnen helpen met praktische en emotionele problemen: verpleegkundigen, psychologen, sociaal werkers, diëtisten, logopedisten, kinesitherapeuten, enz. Vraag naar hen in het ziekenhuis of bij uw thuiszorgorganisatie.

VLK-ziekenhuisvrijwilligers

In een 40-tal ziekenhuizen in Vlaanderen heeft de Vlaamse Liga tegen Kanker (VLK) goed opgeleide vrijwilligers. Zij verzekeren een permanentie op bepaalde afdelingen van het ziekenhuis. Die vrijwilligers nemen de tijd om naar u te luisteren, met u te praten, u te helpen zoeken naar geschikte informatie, uw problemen te signaleren aan de zorgverleners enz. Vraag ernaar op de afdeling waar u behandeld wordt of raadpleeg de agenda.

Lotgenoten

Veel mensen voelen zich enorm gesteund door lotgenoten. Hoe vindt u iemand die hetzelfde heeft meegemaakt?

Kankerlijn

Bel de Kankerlijn, of stel uw vraag op www.kankerlijn.beVoor een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek: bel de Kankerlijn, 0800/35.445, elke werkdag van 9 tot 12 uur en van 13 tot 17 uur. Stel uw vraag op www.kankerlijn.be of per e-mail op kankerlijn@tegenkanker.be. O.a. voor informatie over financiële hulp en andere sociale voorzieningen, thuiszorg, palliatieve zorg, pruikenwinkels enz.

 

Kankermeldpunt

KankermeldpuntMeld uw probleem: bent u tevreden over de medische zorg, de begeleiding en ondersteuning? Of kan het beter? Hebt u ervaren dat er nog ruimte is voor verbetering? Aarzel dan niet, en signaleer het aan het Kankermeldpunt. Bel elke werkdag van 9u tot 12u. of via de website www.kankermeldpunt.be. Alles gebeurt in volledige anonimiteit. Het Kankermeldpunt kan geen individuele problemen oplossen. De VLK wil terugkerende problemen detecteren en voor structurele oplossingen pleiten.

Meer informatie?

Brochures, magazine, boeken

enz.

Een uitgebreide boekenlijst vindt u hier.

Websites

Activiteiten

Infosessies (over uw kanker, over nevenwerkingen, vermoeidheid...), workshops, lezingen, ontmoetingsdagen...: ze staan per regio in de agenda

Deze tekst is gerealiseerd in samenwerking met de BVRO / Belgische Vereniging voor Medische Oncologie
Met dank aan prof. Hannelore Denys en prof. Ignace Vergote
Bronnen: www.cancer.org, www.kanker.nl, www.cancer.gov.

Naar boven

Laatste wijziging: 4 november 2013