LinksSitemapContact
U bent hier:

André Dotreppe na een beenmergtransplantatie. De wedergeboorte van een leukemiepatiënt

Nieuwe donors meer dan welkom!

Donor worden is zeer eenvoudig: u meldt zich aan bij een bloedtransfusiecentrum, waar ze voor testen bloed zullen afnemen. Als u in aanmerking blijkt te komen voor donorschap, worden nog enkele bijkomende testen uitgevoerd. De beenmergafname zelf bestaat uit een korte narcose, waarbij zo"n 5% van uw beenmerg wordt afgenomen. Pijn doet het niet. U hebt hooguit een paar dagen een beetje last van stramheid. De stamcellen kunnen ook - mits enige voorbereiding - uit het bloed gehaald worden. Met deze nieuwe technologie is narcose overbodig. Goed om weten: de donor wordt volledig vergoed voor medische kosten en eventueel loonverlies. En uiteraard verloopt alles in strikte anonimiteit. Uw beloning? De wetenschap dat u waarschijnlijk iemands leven redt.

Zelfhulpgroepen

Ruim vijf jaar geleden begon het allemaal voor André Dotreppe (40 jaar): chronische vermoeidheid, hevige koortsaanvallen zonder aanwijsbare oorzaak en - hoe kan het ook anders - een humeur ver beneden nul. Nader onderzoek brengt aan het licht dat André aan leukemie lijdt. Een zware klap. Een moeilijke periode volgt, maar - dankzij een geslaagde beenmergtransplantatie - ook een happy end.

Tekst: Kathleen Vereecken, uit Leven 4, oktober 1999

De pijnlijke mededeling is het begin van een lange reeks behandelingen: pilletjes om de bloedspiegel in evenwicht te krijgen, zware chemotherapie met interferon. André balanceert de hele tijd op het slappe koord tussen hoop en wanhoop. De hoop op een goede afloop wordt met één klap de bodem ingeslagen, wanneer André na een zeer gunstige periode hervalt. Hij is afgemat van de zware chemo, depressief en ontmoedigd. Bovendien blijkt een nieuwe kuur met interferon nauwelijks zoden aan de dijk te zetten.

Een beenmergtransplantatie wordt voorbereid. Een nieuwe klap volgt, als blijkt dat noch zijn ouders, noch broers of zussen dezelfde weefseltypering hebben en dus niet in aanmerking komen als beenmergdonor. Maar dan is er opnieuw een sprankje hoop, want na intensief speurwerk wordt in Engeland een geschikte donor gevonden: een 43-jarige Londense zakenman. André wordt klaargestoomd. En in oktober "96 wordt het reddende zakje beenmerg via de kanaaltunnel in ijltempo naar het AZ-VUB gebracht.

De wedergeboorte
"De aanloop was zwaar," zo vertelt hij. "Acht dagen zware chemo, met tussendoor één rustdag en op de laatste twee dagen een bestralingssessie van telkens vier uur, waarbij ik mij absoluut niet mocht bewegen. Bij het bestralen mocht ik mijn lievelingsmuziek beluisteren, opdat het urenlange stilliggen draaglijker zou zijn. "The Wall" van Pink Floyd. sindsdien kan ik die muziek niet meer hóren.
In vergelijking met de voorbereiding was de transplantatie een fluitje van een cent. Toen ik aan het infuus lag en de vloeistof mijn lichaam voelde binnenlopen, zei ik tegen mijn vrouw: "Kijk, er loopt nieuw leven in mij!" De dokters moesten erom lachen, maar nu nog beschouw ik dat moment als mijn wedergeboorte. Vanaf toen ging ik met sprongen vooruit: mijn beenmerg begon te groeien, en verdubbelde elke dag in omvang. Ik had hevige groeipijnen in mijn hele lichaam, maar dat hoort erbij. Na vijf weken - normaal moet je zes tot acht weken blijven - mocht ik naar huis. Na zolang afgesloten te zijn geweest van alles en iedereen, in een steriele kamer waarin ik zelfs niet wist of het dag of nacht was, eindelijk mijn vrouw eens mogen vastpakken, mijn zoon in mijn armen kunnen sluiten. dat was fantastisch."

"Dear bloodbrother"
Er volgde een "quarantaineperiode" van drie maanden. André leefde in een huis dat van vloer tot plafond ontsmet was, ontving nauwelijks bezoek en slikte elke dag trouw een twintigtal pillen om afstotingsverschijnselen tegen te gaan. Beetje bij beetje herwon hij zijn krachten en zijn belangstelling voor het leven na de ziekte. Nu eens een virusinfectie, dan weer afstotingsverschijnselen - typisch voor wie een transplantatie onderging - doken op, maar de genezing was niet te stuiten.
Vandaag gaat het hem goed : "Ik voel me steeds beter. Ik werk opnieuw voltijds, en dat lukt best. Met de gevolgen van de ingreep kan ik leven: ik wist vooraf dat ik onvruchtbaar zou worden, en ik heb ook last van een huidziekte en eczeem. Maar ik heb leren relativeren, en ik ben hoe dan ook blij en dankbaar. Elk jaar, op de verjaardag van de transplantatie, krijg ik - via het ziekenhuis, want alles gebeurt anoniem - een brief van mijn donor. "Dear bloodbrother" noemt hij mij. Dat doet zoveel plezier. Nu vier ik twee verjaardagen: 18 oktober, de dag van mijn geboorte, en 24 oktober, de dag van mijn transplantatie. Mijn wedergeboorte."

Beenmergtransplantatie
Beenmergtransplantaties worden slechts bij bepaalde vormen van leukemie toegepast en bij patiënten waarvoor de eerstelijnstherapie niet voldoende effectief is. Vooraleer specialisten overgaan tot een transplantatie, moet aan drie voorwaarden zijn voldaan: de ziekte moet zoveel mogelijk onder controle zijn, de patiënt moet in een zo goed mogelijke conditie verkeren en de ideale donor moet gevonden zijn. Als er geen donor in de familie is, volgt er bijna altijd een intensieve zoektocht, niet alleen in België, maar vaak tot ver over de grenzen. Gelukkig beschikken medici over een bijzonder goed georganiseerd wereldwijd netwerk: het BMDW (Bone Marrow Donors Worldwide), een systeem waarin bijna zes miljoen donors uit 34 landen geregistreerd staan.

Prof. Lucien Noens van de afdeling Hematologie van het UZ-Gent licht toe: "Eerst gaan we na of er een familiedonor is. Bij elke broer of zus heb je zo"n 25% kans dat het een geschikte donor is, en het risico op omgekeerde afstoting - dat betekent dat het nieuwe weefsel zich tegen de gastheer keert, en niet omgekeerd - is slechts 10 %. Als we een niet-familiale donor moeten zoeken, is voor een courant weefseltype één op 10 à 15.000 donors geschikt. Maar indien het om een zeer zeldzaam weefseltype gaat, wordt het moeilijk: soms is er slechts één op een paar miljoen geschikt. Bovendien is de kans op omgekeerde afstoting iets groter, maar we kunnen toch vier tot vijf van de tien gevallen van afstoting in goede banen leiden.

De eerste drie maanden na de transplantatie is het risico op afstoting acuut. Ondanks alle goede zorgen overlijden die eerste maanden nog steeds patiënten ten gevolge van infecties of afstotingsverschijnselen, of later door een heropflakkering van de leukemie. In de daaropvolgende maanden blijft het risico op afstoting nog bestaan, maar na twee tot twee en een half jaar zeggen we tegen de patiënt dat hij gerust een feestje mag organiseren. De kans dat het daarna nog misloopt is uiterst klein. Als er toch sprake is van afstoting, is er een gunstige keerzijde: de patiënt voelt zich ziek, maar het nieuwe weefsel valt tegelijk de ziekteresten aan, waardoor de kans op hervallen minimaal wordt. In het verlengde daarvan experimenteren we ook steeds meer met "mini-transplants": in de plaats van al het oude beenmerg in één klap uit te roeien en te vervangen, dienen we kleine hoeveelheden donorcellen toe, die zich verbeten op de ziektecellen gooien, waardoor we deze geleidelijk aan uitroeien. De chemo die in zo"n geval, juist voor de beenmergtransplantatie gegeven wordt, is veel minder zwaar. Een interessante therapie, vooral voor oudere patiënten, die voor een algehele transplantatie vaak uit de boot vallen, omwille van hun slechte lichamelijke conditie."

Naar het verhalenoverzicht